De falsificatie in de Belgische fotografie (3). Nil desperandum.

Het zoeken naar een artistieke identiteit – een vermoeiende en belastende ‘queeste’ – is voor veel jonge mensen, die in vormen van kunstvorming volwassener geworden zijn, een beklemmende worsteling. Enerzijds is er de creatieve drang om écht goed en oprecht werk te tonen en anderzijds is er de ingelepelde vaststelling dat er méér dan talent en werklust nodig is om ‘hét’ te maken. Voor de argeloze kunstleek: ‘hét’ is in deze zin geen aanduiding van een heus kunstwerk, maar van een status en een pose om kansen te verwerven, in het strakke weefsel van overigens anonieme leermeesters. Zeg maar om de eigen gloria en eurobuidel op te vijzelen, iets waar elk onrijp kunstenaar op hoopt. Dit ongerept belust-zijn is het wingewest van getekende gidsen (in de coulissen), om jonge zieltjes bij te spijkeren, missiematig te kneden. De meeste jonge mensen verloten hun zieltje in deze queeste. Om een zeepbel vol rook na te lopen.

Ooit hadden ze de ‘guts’ om over een schoolpoortdrempel te stappen (het rokersgordijn was hen liefelijk), om ten minste een volle vier jaar kostbaar jong bestaan te offreren aan good- en willy-nilly-will van de vakmeesters. Inmiddels snapt elkeen dat het ontplooiingsritme van de ‘guts’ op maat van de tewerkstelling van deze ‘vakmeesters’ geadministreerd wordt: men zorgt zorgzaam voor de langzame rijping van de jonge koene kunstbende. Maar veel intenser nog mikt men op een vriendelijk bemaskeren van de ware spirit van menig magister, zijnde een goed pensioendossier van de docerende acolieten.

Maar ik dwaal kilgeestig af. Laat het ons houden op de falsificatie in het vermarkten van ‘namen’. Of: wie bouwt mee aan de façade en wie regeert de coulissen?

Een verwarrende anekdote is de prikkel die mij doet verkeren met dame dubio.

Minder minzaam geworden door ervaringen en vele conversaties, was het mij al vaker opgevallen hoe weinig naïef en hoe ontdaan van enige scrupule tal van medemensen zich een weg baande doorheen het bestaan. In sommige sectoren (dorpspolitiek bijvoorbeeld) is het theater der ziellozen vrij voorspelbaar; in andere bestaanstakken zijn de uitgangsgedachten vrij van eenduidige oprechtheid (spontaan denk ik aan katholieke vorsers), wars van competentie of gewoon los van elke vorm van fatsoen. Men vulle aan volgens eigen kwetsuren of het geloof in een geitenwollen wereld.

Ik dwaal natuurlijk alweer af. Geen love, peace and understanding, maar de bedroevende anekdote dus. Dit was simpelweg een gesprek met een onzijdig persoon in geldnood, met een kunstgalerie in het oosten des lands. Nota bene, conversatio in loco delicti. De sterveling verklaarde doodleuk dat een ‘naam’, die in deze galerie debuteerde, een aangestampte reeks tipzakken, aan de muur gekleefd, voor een goed voorspeld miljoen verkocht kreeg. Lires, peseta’s, franken of euro’s: het maakte niet uit; het was toch opgezette zelfbediening. Een slikprobleem diende zich aan bij dergelijke exposé rond werkende businessmodellen van de kunstwereld in België.

Dame dubio zit sindsdien niet stil in mijn bestaan. Elke kritische doorlichting van deze of gene kunstenaar screen ik genoegzaam op zijn auteur; de toevallige liaisons van beiden bepalen vaak het gewicht en de richting van een ‘kritische’ beoordeling. Vermorzelen of verheerlijken; kennen wij elkaar? Of zijn wij de enige gave raven? Tom Naegels, ombudsman van De Standaard, stoeit met dezelfde vragen (DS, 12 september 2012, p25). Hij lijkt jong en hoopt op onbevlekkenis bij alle spelers. Duidelijk geen loot van het Kunstonderwijs.

Oh ja, natuurlijk is de drang om namen te kleven op deze oprispingen aanwezig bij elke gedachte. Namen en electronische vingerwijzingen branden op het toetsenbord. Maar ik zwicht mij er voor al te herkenbare mensen ten tonele te voeren, uit bekommernis voor hun kwetsbaarheid. Voor één keer mag je dit als spaarzaam-ironisch aannemen. Mijn leefwereld is vrij van zwijgplicht, maar goedgebonden aan toewijding voor de onverdedigbare medemens. Een beetje katholiek dus, een beetje Alice Nahon, een beetje goedhartig ‘in ’t eigen hert te kijken’. Ook mis ik de kunstsociologische devotie die bijvoorbeeld Pascal Gielen, in zijn boek ‘Kunst in netwerken’, mét naam en toenaam, stoffeert. De auteur doceert trouwens buiten de landsgrenzen. Hoet voor hem.

Los van ontnuchtering en emotie is duidelijk : de economische belangen staan centraal in het debat rond kunst en de bedienaars ervan. Economische behartiging, berekend prestige, het carrière-kladje, een brede media-verzorging en derde, vierde, vijfde betalers voor eigen glorie. In dit debat komt bij de protagonisten bovendien vaak een vorm van basisdrift bovendrijven : de drang om mindere inheemse goden te chargeren en andere, onbereikbare maar bruikbare goden een genegen hemel toe te bidden.

Dezelfde reflex vind je bij de wolk van wetenschappelijke en andere klaartemakers rond de kunstenaars. Elk woord, elke analytische noot wordt op valsheid beproefd.

Gielen zegt het zo mooi, academisch-omfloerst, na een interview met Jan Vercruysse en Luc Tuymans:

‘Uit deze retroactieve reconstructies van kunstenaars blijkt alvast dat hun queeste zich uit in het zoeken naar een verhouding ten opzichte van de kunstgeschiedenis, het actuele kunstgebeuren, filosofische inzichten, een persoonlijke inbreng, enzovoort.’ (p162)

Twee regeldeeltjes blijven bij : ‘het actuele kunstgebeuren’ en het zo symptomatische ‘enzovoort’. Een beetje ter vervanging van drie of meer puntjes. Beide dekken de grievende vracht, die een omzichtig onderzoeker poogt te aan te reiken. De facto komt de wetenschapper tot dezelfde conclusie die voor een nuchtere Bierbeekse* boer al lang duidelijk is : Vlaamse kunst lijkt op een massief patattenkoopmanschap, met als inzet de prijs van patatten . Een deel is voor de zwijnen gereserveerd – intern gebruik, geen discussie, geen prijs, gewoon voeder. Een volume wordt opgeborgen voor de volgende aanplanting (ligt koel en donker, uit het zicht van menig wijsneus). De vraag blijft welk deel tot frieten vermalen wordt, voor de massa met lege tipzakjes, voor de ‘publieke ruimte’. In de beredeneerde berekening hieromtrent spelen veel factoren – een netwerk van verhoudingen, zegt Gielen:  de trafiek bij collegae-landbouwers, ruilvertwijfeling, de spanning van de wind en de schrikdraad, de net-gemist-rilling voor de boerin next door, het stijve been van de eigen humeurige boerin, jaloezie contant cash, het pintje na de zondagse hoogmis,  raadgevers van Boerenkamers, punt puntje puntje. Ik zie verwantschap.

Vlaamse beeldende kunst is in Vlaamse klei gegrond, op een klein, klein akkertje.

Ik zit er niet in vast. Maar ik heb er wel een blauwgeplekt benul van.

* het moeten niet steeds West-Vlamingen zijn.