Luc Dewaele, dagboek

Over fotografie en leven.

Month: November, 2011

Beeldloos vasten.

Een roofbeest in de zoo; zo ongeveer voelt een fotograaf zich zonder camera. Opportuniteiten zat, om enige honger te stillen, zijn ware geaardheid bot te vieren, maar helaas. Een onoverkomelijke  muur van glas en ijzer en bewakers weerhouden hem van enige daadkracht. Maar, hij houdt zich alert en staande; aan de binnenzijde van zijn kooi staat nog gekerfd: “Die Gedanken sind frei”, als aandenken, aan de tijden van ongebreidelde vrijheid. Of die van gelukzalige onwetendheid. Of die van een selectieve alwetendheid.

Ongeïllustreerde gedachten dus. Schrijven en lezen over beelden en afbeeldingen en luisteren naar fotografen, die het woord “discours” te veel in de bek nemen. Ik denk er stevig over na – vijandschappen moet een mens onderhouden – om een hitparade van beeld-kritische woorden te publiceren, op een blog. “Discours, bevraging, onderzoek”. Het kan in koperen letters aan de poortgebouwen van het Fotomuseum vastgeklonken worden. Drie beslechtende termen, met engelstalige equivalenten, die best chique staan, in menige uiteenzetting rond de actuele fotografie. Geen waardevolle fotografie meer, die aan de onthulling van detail-kritische vragen en inhoudelijke stripping ontglipt. Met een academisch aureool van “sociaal engagement” en een reflectie-bevorderende “attitude” past vervolgens elke kunstenaar marketingsgewijs in het kiekvenster van beeldanalysten. En van tentoonstellingsbouwers. En van docerende beeldmakers.

Valt het op dat een fotograaf zonder bruikbare camera een vat vol opgekropt enthousiasme is?

Dit alles om gewoon te zeggen dat ik mijn fuji x100 mis. Iedere dag, een beetje meer. Het gevoel alleen -zonder camera- te zijn, dat doet zo’n zeer. Maar met dat soort pijn, kan een fotograaf voorwaar nog verlangend zijn. Ik ken anderen.

Bruxelles Midi Marollienne

Even niet alleen geweest vandaag in Brussel, die stad met vriendelijke, eenzame en andere mensen.

Gewoon getreind, samen met Academie-cursisten, gefotografeerd en gepraat met mensen. Even ingestemd met comfort-racistische caféprietpraat, goede en slechte koffie gedronken, bijzonder oneetbare zalmtoast tot mij genomen in de Hoogstraat (L’arrosoir, het soort malafide eetetablissement, waarvoor filantropische blogschrijvers waarschuwen) en voorts gewoon genoten van wat de straat en de regen te bieden hadden. Meer niet. En dat geldt ook voor de beelden. Fotografie is een technologie om zielenrust op te wekken. Geen zielenroest.

Ik kijk uit naar mijn gedachten van morgen.

En route, vers des vieilles aventures….

Kort statement vandaag.

Ik loop op oorlogsgraven, met de vraag wat “waarachtigheid” betekent.

Waarachtigheid in de weinig visionaire betekenis van het niet-gesneuveld zijn in het veld van eervolle documentaire fotografen. Die simpele zielen die vasthouden aan de fotografie als medium dat afbeeldingen voortbrengt. Ja, die anekdotische dingen, met vormpjes en kleurtjes, rechte lijntjes en scherpe hoekjes. Korrelloos, emotierijk en persoonlijk bovendien.

Passé. Gecomposteerd. Als de beenderen van de korporaals waar ik op kuier.

Waarachtigheid dus. Als in song van Billy Joel, maar dan ontdaan van meligheid.

Waarachtigheid, met een sterk klinkende echo in de schedelpan, iets in de trant van “wie gelooft die mensen nog?”, maar dan zonder enig politieke connotatie.

Waarachtigheid, met de nadruk op het plaatsbepalend bijwoord “waar”.

Op naar de waarachtigheid.

 

Wie het weet mag iets zeggen.

Of roepen, van Luik tot Lichtervelde, met een eeuwige pitstop in Tyne Cot.

Theo Franssen.

 

Geven en nemen : gas.

Drie touché-momenten vandaag :

  1. Recyclart, aan de Ursulinenstraat te Brussel
  2. Tutor, momentje aub, ik schrijf.
  3. Dirk Braeckman, tweedelige episode.

Recyclart. Wie die verklarende tweetalige term uitgevonden heeft, was bij de pinken.

Onder de sporen en het treingeroffel bij de Brusselse Kapellekerk heeft zich iets krachtigs genesteld : een veelarmig initiatief om de populaire (zeg maar verpauperde) wijk een on-eigentijds elan te geven. Muziek maken – de ware polychromie-, een ernstige stiel leren, warm eten en zowaar ook bijwijlen naar fotografie kijken. Een levensomvattend project dus. Ik stel de vraag : waarom leef ik al zo lang zonder hiervan te proeven? In februari godzijdank zal ik mij hieraan bevlekken: een heuse tentoonstelling op Brussels grondgebied, in inspirerend gezelschap van jong volk, in de locale galerij. Roem wenkt; nu nog terugzwaaien. (www.reclycart.info)

Onze man bij Recyclart.

Onze mannen en vrouwen aan Recyclart.

 

Tutor. Ik zoek een Vlaams equivalent van deze roeping. “Sabelaar” klinkt te vriendelijk voor de man die doelrake prikken uitdeelt. Even denk ik aan de gasleverancier van het Tahrirplein, maar neen, diens leveringen zijn fruitvliegwindjes in vergelijking met de drukgolven die ik vandaag te verwerken krijg. Gifgas als tegenwind. Het klinkt als een bevel in het Westvlaams.

Mijn persoonlijke Tahrir-arena heb ik vandaag afgebakend; mijn resterende bakens blijken die van  verdampt emotionalisme te zijn. Intellectueel en rationeel voorwaar onwaardig bevonden.

Vol ongaarne geef ik toe dat 30 jaar geloof in “compassionate photography”, bij gratie van ene Eugene Smith en Dorothea Lange, vandaag “passé” verklaard zijn. En dat zonder stemverheffing, maar met concrete argumenten. Dodelijk voor wie dacht kritisch te zijn, maar nu blijkt een evidente vorm van naïviteit gekoesterd te hebben. Nog twijfel ik aan de argumenten die voor mij op tafel liggen.

Mijn grootste angst is dat de eigen beeldhonger misschien klinisch gestild wordt. Voor lang.

Morgen bekijk ik de apologie van de actuele beeldenmakers nog eens.

Onderweg naar M

Storen mij nu al : kunstenaars, die goedlachs grammaticaal gebrek in hun beeldtaal wegwuiven als een onbetekenende kwestie. Stoort mij: de egolanderij, klauwend aan een intellectueel discours, waarbij de termen “onderzoek” en “bevraging” te veelvuldig gebruikt worden. Stoort mij: “sociaal engagement”, als predikaat op kunstenaars die uiteindelijk slechts thematisch geïnteresseerd zijn in maatschappelijke topics, vanuit een brede comfortzone. Stoort mij: mijn hoogsteigen “emografie” die nu op apegapen ligt. Ik zou schrijven : stoor mij.

Onze man tout court.

 

Dirk Braeckman: ik geef toe, de man heb ik woordelijk een beetje kromrecht aangedaan, afgaande op een Goudvis-reportage. Het siert mij niet om in de periferie van nuances selectief te harken. Ik heb immers een nostalgische en gedegen versie van het fotografendom af te schermen. De fotografie van Michiel, Carl en maten. Fotografie, die er in gaat als moeders melk, en niet smaakt of reikt naar bitterheid.

Het medicijn van de “emografie” is uitgewerkt, zo blijkt. Bon, gooi weg die afbeelding, kom hier met dat beeld.

Onder mannen.

 

Vat ik het zo goed samen?

Of is dit de dag nul, waarop de beeldenmaker zijn appetijt verliest?

Voorlopig ligt de chroniqueur in mij op ramkoers: Reactief-Argwanende Memorie.

niet ver van M, een echte B, eerlijk gevonden.

Een triestige affaire.

Op zijn Gents klinkt dit onschrijfbaar knuffelig.

Meer nog: deze titel is niet van toepassing op deze maandag, noch op mijn gedachten van de dag. Het klonk gewoon buitengewoon fraai, uitgesproken door een dame op de actuele brugpensioenleeftijd, bij het uitstappen uit de trein, te Tielt.

(Tielt in de mist is inderdaad een triestige affaire, als je werkplek op de Lakenmarkt gesitueerd is. Maar dit is geen dagverhaal waard).

 

Brussel was vandaag zonnig. Ik werd niet beroofd in de Aarschotstraat, ondanks het vermaledijd opzichtig fotograaf-zijn. De trein was amper 10 minuten later op tijd en het grondplan van mijn virtuele expo – voor mijn 2 favoriete alfabetisch gerangschikte studenten – is woordelijk en conceptueel af. Nu nog een hobbyistische reflex ontwikkelen en daarmee een soort vleesgeworden maquette bouwen…. en alweer een Masterklus geklaard. Ik vergeet de knutselboel en ik onthoud vooral het nadenken omtrent het curatorschap en het omgaan, zeg maar bevragen van werk dat niet van mij is.

 

Wat wel van mij is, zijn onderstaande beeldjes. Kleinigheidjes, laat ik ze mijn “brusselletjes” noemen. Beelden die je op straat vindt, of die jou op straat tegemoet waaien.

Ik ben er content mee. Vooral omdat ze met een grote camera gemaakt zijn; de afkickverschijnselen van mijn compacte fuji vallen dus nog mee. Opvallend is weliswaar het onveiligheidsgevoel dat zo’n nikon opwekt. Toer hiermee rond en je bent opnieuw de bedreigende fotograaf, die in het middelpunt van de belangstellerigheid staat. Zo hollands, assertief en hinderlijk als het op spontaneïteit aankomt.

Ik heb toch wel een stil uitgesproken hunker naar dat kleine vestzakcameratje. Ooit komt het terug, in garantie.

 

Mijn ontdekkingen van de dag zijn een boek van de genoegzaam bekende Bernard Plossu en eentje van Jan Locus, in het teken van documentaire foto-opdrachten Vlaanderen. Van lang geleden (1997), maar toch best wel gedurfd. Even googlen leert : www.janlocus.com Een bijna-dommerigheidsverklaring is mijn deel.

Ik heb nog veel af te leren, dat is duidelijk. Hoor ik sommigen al denken. Of misschien moet ik gewoon de actuele credo’s en dogmata afschudden en simpelweg volharden in beelden maken, en zonder “inhoudelijke” verantwoording droogjes tevreden zijn.

Sinds gisterenavond toch wel minder uilig geworden.

Hoorde jij ook op Canvas, in Goudvis, een gevierd artiest zich preventief verweren, bij monde van zichzelf en een galerist, dat het koningspaar portretteren toch wel in de lijn van zijn oeuvre ligt? En dat je zoiets toch niet weigert? Ik ga toch voor de ongeschonden ziel, al levert dit niets meer dan anonimiteit en pietluttigheid op. Een triestige affaire, in het Gents klinkt dat zo mooi.

leve het studentendom!

 

mijn vriend Garry.

mijn vriend Lee.

William, een maat voor mij.

Voor al mijn maten met moeilijke vragen.

pickpocket Ik

Brussel Noord, late trein.

Brussel Noord, stationsliteratuur.

Spoor, weg, hemel.

Onze man in Sint Lukas.

Twee negers op de straat. Voor Raymond.

hangend uit het raam.

treintopograaf.

 

Vlek Vlaanderen Vastgoedland.

Dag vier na het heengaan van mijn onmisbaar speeltje, Fuji x100, richting Holland.

Een fotograaf met een zwaarmetalen Nikon, krijgt hoe dan ook , op een herfstdag, een stuk Vlaanderen voor de voeten, onderweg naar beelden om den brode.

Die laatste onthou ik je – wegens afbreuk aan de alhier opgebouwde smaak -. Maar wat ik in dit heldere licht niet wil laten ontsnappen, toon ik je.

Gewoon, omdat het moet. En omdat ik wantrouwen tegenover cameraloze fotocritici koester als mijn kinderen.

Niet alleen dit brokje Vlaanderen mocht ik vandaag en passant in fragmenten ervaren; ik werd ook geconfronteerd met een stuk tekst over of op de ziel van het fotograferen.

Minor  White zegt :

The state of mind of a photographer while creating is a blank…For those who would equate “blank” with a kind of static emptiness, I must explain that this is a special kind of blank. It is a very active state of mind really, a very receptive state of mind, ready at an instant to grasp an image, yet with no image pre-formed in it at any time. We should note that the lack of a pre-formed pattern or preconceived idea of how anything ought to look is essential to this blank condition. Such a state of mind is not unlike a sheet of film itself – seemingly inert, yet so sensitive that a fraction of a second’s exposure conceives a life in it.

“De geestesgesteldheid van een fotograaf is tijdens het creëren, leeg.”

Een krachtige manier om te zeggen dat een fotograaf ontvankelijk en vrij van voorgevormde denkbeelden moet zijn, als hij op zoek gaat naar beelden.

Misdaadauto's.

Of beter, als beelden op zoek gaan naar een fotograaf.

Lee Friedlander vat het kernachtig samen :

“You go out and the pictures are staring at you”.

Vlaanderen is echt een werkbaar vakantieland.

Donderdag, middelgrijszwarte dag.

De voorbeeldige dagboekmaker in mij, wordt belaagd in zijn essentie, zijnde het maken van beelden, voor, na en ook wel tijdens dag-en-nachtervaringen. Mijn fuji X100, het nek- en ruggenwervel-pijnwerend fototoestel heeft hardware-matig besloten zijn eigen overbelichtende weg te gaan. En dit zonder overleg, gewoon langzaam en zomaar. Een stel plakkerige diafragma-lamellen heeft een soort inertie-neiging ontwikkeld -ze sluiten heel traagjes naar de ingestelde waarde -. Intussen doet het licht zijn werk : inwerken op de sensor, en daarna op mijn zenuwstelsel. Resetten, firmware updaten, rammelen en googlëen, de oplossingen worden rijkelijk-pijnlijk aangereikt. Maar alle remedies op een rijtje lijken op fotofoefelsex: het blijft plat, 2D en hopen op substantiële beterschap.

Ik hoop alvast op één beeld, vandaag. En dan definitief zijn “instant décisif” vieren : onder garantievoorwaarden in een kartonkist. Richting Holland. Houden van Holland als stresstest.

Mijn laatste fuji-beeld. En nu opnieuw professioneel worden in verplichte modus.

Dag van de Fomustie.

Zwak moment in A.

Even Antwerpen aangedaan. Je weet wel, dat metropolig havennest rond het Fomu; een “fotomuseum” voor de meer articulerende medemens. Drie expo’s voor de voeten en ik heb ze helemaal afgelopen, Lindbergh, Philippi en vermoedelijk de vastgebeitelde collectie, en zijdelings ook nog het “Visionaire”-luik.  Aandoenlijk, die heer Peter Lindbergh, en gedurfd, herkenbaar. (Eertijds) mooie mensen minder mooi gevat, groot afgedrukt, met massieve kaders omrand en een zaal of drie volgestouwd. Visuele overload, maar een mens blijft toch staan en maakt heimelijk foto’s. Niet voor het nageslacht of “de cursisten”, noch voor de challenge van het fotoverbod -suppoosten zijn vriendelijk- en al zeker niet om langer dan één week te bewaren. Gewoon om te memoriseren hoe een ruimte zich verhoudt tot tijdelijke muurtjes en beelden. En dat is vrij overrompelend geordend.

Met een barokke krop in de keelholte, stap ik een verdieping of twee hoger, naar een ander niveau. Fotograaf Frank Philippi, voormalig toonaangever van de Belgische publiciteitsfotografie. Laat ons meteen duidelijk zijn : het zijn formidabele commerçanten die post mortem nog geld genereren voor de descendenten. (Mijn dagboekreflex met de inherente tijdsbesteding, verhindert mij dit zelfs nog peri mortem… ). De tentoonstellingsbouwer wil mij wat graag recatapulteren naar de hoogdagen van Philippi, maar helaas, ik val niet voor de charme van een Wurlitzer, die zomaar tegen de muur gekwakt staat. En al helemaal niet voor spulletjes uit die goeie sixties, als relikwieën in steriliseerkasten opgeborgen.

Betweterig klinken, een beetje als docerend vakman, daaraan bezondig ik mij nu voorwaar eenmalig . Mijn vraag is toch : “wat doet dit levenswerk in een museum, een bewaarplaats van schatten, een broeiplek van levendige experimenten? Het oeuvre heeft toch al zijn merites gehad, eertijds….?”. Dit tonen duidt toch wel wat op inspiratiestoornissen. Laudatio temporis acti. Al kan ik het wel appreciëren dat ook deze figuur zijn in zijn artistieke kracht ook wel belaagd wordt. Een geëxposeerde brief, waarin hij alle ouders smachtend aanzet om hun communieprentjes door hem te laten produceren, is voor mij een scharnier-papier in het expo-concept. Maar of het zo bedoeld is…

Daarna sporen naar Brussel, om net niet te tafelen met medestudente Veerle Scheppers.

Genieten van een onbevangen portfolio in opbouw – coole mensen in ongedefinieerde ruimtes- en ook van de zoektocht waaraan elke ambitieuze fotograaf zich aandoenlijk ten prooi aanbiedt.

De vragen zijn onvolledig beantwoord en smeken om een visueel vervolg. Dit wordt boeiend en lastig.

Nog even veel te vluchtig mijn “Robusta”-werk voorleggen aan tutor Geert Goiris -ik denk dat ik ietwat energiek bezig ben- en daarna…. vieren we het feest van de Fomustie. Wie speelt koning, wie scherprechter, wie de prins Laurent….?

Vlaanderen is een grijs merk, vandaag.

Beelden. Omdat fotografen beelden ademen. En de recensenten astmalijders zijn.

Morgen Lindbergh, in het fotomuseum. (www.fotomuseum.be)

Ik hoop op ademloosheid.

Aangeboden in Sint Laureins en te koop in Maldegem Kleit

Vertrouwen en vriendschap. In deze gangbare volgorde benadert de fotograaf zijn model. Eerst is er het vertrouwen dat mondjesmaat uitgesmeerd wordt – het gesprek, de obligate vragen met weinig verrassende antwoorden, het uiteindelijke blootgeven en de daad van het fotograferen, het vastleggen, het fixeren.

het overlegmoment voor de etalage

En daarna is er misschien wat kans op vriendschap, een gevoel gebaseerd op wederzijdse gebreken en genegen respect. Misschien.

Deborah is blind en ervaart, zoals bloed- en beeldloze fotocritici, het verschil tussen klaar en donker. Meer niet en, swat, het weze zo. Een speling, een onvoorziengheid, het fatum, zij heeft er zich bij neergelegd – een tijdje – en is ook weer opgestaan, voor levenslang. Ze laat punctueel optekenen dat ze wel degelijk kan schrijven – zonder puntjes op de i.

Haar vertrouwen en vriendschap zijn niet gratuit: ze zijn “verdienbaar”, om het gebrekkig uit te drukken. En ik maak er zienderogen gebruik van.

Ja, ze wil “geëtaleerd” worden voor haar raam – “ze zijn vuil, hé – en voor de wereld, maar een simpele wangkus bij het afscheid… zij heeft er Laurel and Hardy-achtige ervaringen mee. Een beetje zoals blind wandelen op straat, met een lange ladder op je schouder. Wee je entourage, als je herkend en geroepen wordt; een ravage is nooit te voorzien.

Voorzien en nazien. Deborah’s plaisanterie wordt nagekeken.

Altijd feest in Maldegem Kleit.

Wel gratuit zijn de taferelen in Maldegem Kleit. Een halfopen kermis en een winkel van menselijke resten in plastic modus . Raar, voor een buiten-passeerder, die even blijft staan. Een beetje zoals marktervaringen in Izegem, maar dan op verstilde wijze.

Is Maria thuis?

Verstilde en fragiele beelden : mens, heb ik even stilgestaan bij het werk van Tina Kazakhishvili (http://tinakazakhishvili.com ) . Gelukkig onopgeleid en bereikbaar, een fotografe, zonder dedain, neerwaartse kijk op de documentaire reflex van een toegewijd mens met een camera. Geen blijk van cynisme of afgewenteld zijn, geen bediening van omzwachtelende woorden, gewoon, behartigd, franjeloos en fragiel. Uit de tijd en uit de derde macht van tien.

Een fluitje van een eurocent.

Izegem, de val voor Jimmy en adepten.

Een koffie kost er 180 eurocent, een bloempje van een scoutsjuffer 400 eurocent en de modellen zijn er gratis en meegaand.

Ik spreek over de markt van Izegem, op zaterdag. Als een herrezen Ed van der Elsken, heb ik deze ochtend geheerst over het marktplein en de terrassen. Mijn studenten, af en toe in mijn zog, eigenden zich hetzelfde arrogante gebrek toe. Ik liet mij gaan, volledig conform aan de stelling dat klassieke documentaire eigenlijk respectloos is, geen afstand houdt, een koel voyeurisme hanteert en in een veroordelende rethoriek uitmondt.

Wat er van zij : het deed deugd om beelden uit de modellen te rammen en de processing van die beelden te laten afketsen op mijn goede smaak. Ik beloof beterschap, maar dit lucht op, in het herfstlicht.

Het antidotum vind je op www.mattnighswander.com

Een vervlogen donderdag, een inspiratiewerend tekstdocument op vrijdag.

Brussel Zuid, men staakt net voor wapenstilstand.

 

Luc hartje Friedlander.

Kaat en Eleanor van Harry Callahan, één overgave.

De ruimte in Sint Lukas.

Meespelen op fotografische wijze.

Soms overvalt mij de indruk dat ik alles al gefotografeerd heb: de werven, de treinpassagiers, de onverleidelijke route langs de Aarschotstraat, medestudenten aan het tafelvoetbalspel, de zon op stationsgebouwen. Die indruk is een vergissing.

Soms wéét ik zelfs dat ik véél al gehoord heb. Over fotografie en de onverdroten manieren om fotografie te duiden, in een vakje te doppen en godbetert te “evalueren”. Zeggen dat je het goed vond, als besluit van een gejaagd tentoonstellingsbezoek. Of nadrukkelijk beweren dat je het niets vond, of zeer geslepen, neuzelen dat je het niet weet. Met het werk van Yto Barrada is de laatste optie de veiligste. Een air van verbeten intelligentsia en ronkende citaten omringt de expo in Wiels. Ongeïnformeerd waan je je in een speeltuintje – onduidelijk of je ook écht mag spelen met de blokken. Een-, twee of veelmaal belezen waag je zelfs geen zachte aanraking – research naar de materiaalkeuze – van het kleurig blokkenwerk, en durf je geen woord meer te kleven op het beeldwerk. Heftige namen hebben immers al een ronkende duiding gegeven en tegenspraak vereist een diepe graad van belezenheid.

tafelgenoot tegen wil en dank.

Ik pleit voor de onbevangen blik : openstaan voor de realiteit op zijn Goldbergs (www.jimgoldberg.com) en actief vergeten wat dé ingeramde regels zijn. Er zich voor hoeden dat enig concept met religieuze ijver de andere visies verkettert. En dus kinderlijk verwonderd zijn en zich bijna onnozel gewillig laten bekeren tot een nieuw opgelegd credo. Al is het maar voor even, swingend in een mijnenveld van artistieke bewoordingen.

Yto Barrada, te ontdekken , op puur persoonlijke wijze dus. (www.wiels.org)

Ook te ontdekken, maar dan vooral door mezelf, meer werk van mijn gretige medestudenten.

Julie Vermeersch ( http://www.julievermeersch.be ), Ryan Brubaker ( www.johnryanbrubaker.com).

Wij zijn veroordeeld tot elkaars complexloosheid. Tot communiceren met heldere beelden, tot een jacht op directe woorden, om elkaars werk te ontrafelen, te toetsen aan de reputaties rond de grote namen.

Ik zal onversaagd zijn in deze queeste en niet aan zelfvertwijfeling lijden. En het oude beeldtaalgebruik zal ik mij amper welgevallig laten zijn. En de indruk dat ik alles al gefotografeerd zal ik met lijf en leden te lijf gaan. Beloofd.

Intussen gaat een donderdag beeldrijk voorbij. Ik neem beelden, dus ik leef.

BXL Midi, men stake voort.

Dromen van duikbootgezichten. Yto, hier kom ik.

De meester met het beeld.

 

De koele voyeur en zijn instrumentarium.

Coole dr. Bruno en zijn voyeurteam. (Flores, juli 2011)

Documentaire fotografie. Ik word “krampioen” van het ongetwijfeld laatste ras der fotografen, die zich nog durven uiten als ruisarme, scherpe, harmonieuze beeldtaal-gebruikers.

Het epitheton is sieraard uit eigen mouw; de verwijten eraan gekoppeld zijn zorgvuldig gemikte schampschoten uit verre schuttersholen. Anoniem, en ze verwonden wel, maar maken de huid ook taaier. Verwonderend: mijn woorden zijn toch niet onbeduidend voor dwepers van Russische ruis.

tramhalte Wiels

Wiels, voor wie ernaast zou kijken.

Ik citeer vrijelijk uit een tekst van Okwui Enwezor, U en mij onbekend. Omtrent Yto Barrada, een beeldend kunstenares uit Tangiers. Haar werk “Riffs” bevindt zich momenteel in kunstencentrum “Wiels”, aan de gelijknamige tramhalte in Vorst. Documentair werk, omtrent mensen die de Straat (van Gilbraltar) vurig verlangen over te steken. Beelden in de voor- en nagloed van de daad van een Tunesische fruitverkoper, die zich bekwaamde in de tol van de roem van de lont.

Een gewaarwording met veel voorzetsels dus.

“De beelden van “Het Straat Project” schuwen het frontale en de claustrofilie van de documentaire vorm in zijn neiging de ruimte tussen subject en camera op te heffen”.

Een eigenaardige gewaarwording maakt zich meester van mij. Een nieuw credo, een dwingend geloofspunt voor eigentijdse documentaire fotografie wordt hier aangemaakt. Documentaire fotografen zijn veruit de meest onvernuftigen – ze plukken uit de realiteit van de dag – maar dit citaat geeft toch te denken en te bevroeden.

Ik begrijp het goed. Klassieke documentaire fotografen gaan frontaal te werk : ze gaan het onderwerp niet uit de weg, wentelen zich niet in beeldenkramerij, ze confronteren met de camera. Pittiger nog : ze houden ervan zich in het subject onder te dompelen of –ik ontleed het woord “claustrofilie” -, ze sluiten zichzelf er in op. Ze reiken de hand naar wie binnen handbereik bereid is. Ze fotograferen zonder nadenken, in een onveilige ruimte. Subjectief, indiscreet, niet objectiverend, verworpen voor enige vorm van “onderzoek”.

Dit doet zeer, omdat het de rol van geëngageerde documentalist-fotograaf à la Eugene Smith, vlotjes verwerpt en het gapende vacuüm dempt met drijfzanderige filosofische verwijzingen. Worden fotografen echt bij de hand genomen, of bij de neus? De vraag belaagt mij, bij de rigide reeks geboden voor de documentaire fotograaf, de ene al vager dan de ander.  De heer Enwezor verkondigt lepelsgewijs allerlei “nieuwe” toepassingen van woorden op beelden. De uitkomst is een geloofsleer die krampachtig aansluiting zoekt bij het “beeld” dat ik al dan niet zie en verwijst naar een vage actualiteit voor ingewijden. Maar kom, ga toch maar eens een kijkje nemen bij Wiels (www.wiels.org). En lees de tekst “Een heldere vuurgloed”, van Okwui Enwezor. Ik heb het meermaals gedaan en ik fotografeer nog.

In een eigen dagboek mag je uitglijden. Over eigen gal. Net zoals bij het maken van ondienstige foto’s.

Hangend uit een treinraam (è pericoloso sporgersi) waaien de beelden voorbij. De gedachten ook. En weg zijn ze.

"In dit beeld wordt de logica van de doorgedreven reductie gevolgd."

J’accuse, je m’excuse.

Donderdag is per definitie een weekdag, eentje waarop je hoopt dat alle Belgische voetbalclubs uit hun Europese A, B- of Championscups gegooid zijn. Kwestie van de ochtendlijke treinprietpraat beperkt te houden tot bepaalde, even onnuttige nieuwtjes. Nieuwtjes waarbij ik gefocust kan blijven op wat echt telt : de boeken van de Sint-Lukas-bib droog houden, wandelend in de Aarschotstraat.

Even halt houden.

Vandaag hou ik even een halte bij het gehypete oeuvre van Bieke Depoorter. Een ademstop.

Tilde, een verademing.

Het spijt mij dat ik dit werk vroegtijdig als dusdanig bestempel en ja, ik besprenkel mezelf met vlagen van jaloezie, onderweg naar de galerie . Zo pril en al een eigen plekje op een ademtocht van de Avenue Louise, inclusief een Lannoo-drukwerk, slechte wijn en vriendelijke Franstaligen. Ik kijk er rond en rond en begin mijn vooroordelen te onderbouwen. Kijk, dit is echt niet goed en ik weet dat je nu technisch weerwerk verwacht. In de zin van “heb je die ruis gezien, die onscherpte, die prijslijst? Vragen voor een slechtziende, die het barietpapier nog net kan onderscheiden van het behang. En dus bekruipt mij onverbloemd de oprisping : waar staat dit werk zonder de air- en mediaplay, die toch al een tijdje aanhoudt? Kom, zeg het.

De pechstroom droogt niet op: vandaag net onderricht genoten in het benaderen van de ruimte, als plek waarbinnen foto’s hun habitat of hun refuge kunnen vinden. Nagedacht, geluisterd naar  tentoonstellingsarchitect Guy Châtel, teksten rond het functioneren van beelden in de ruimte (Olivier Lugon) ontleed. En niets, echt niets vond ik toegepast in de galerie Ikono, tenzij het feit dat beelden inhoudelijk leeg waren en evenmin beleefd konden worden in de krappe ruimte. De toets van de neutrale blik, eigentijdse documentaire research vanuit een genagelde visie?

Het spijt mij echt, want ik had er een lange wandeltocht tussen Rogier en het Flageyplein voor over.

Ware inhoud met ballen nu. Het soort dat verdampt in anonimiteit. En die onderwezen wordt bij tijd en wijle.

Ik heb het geluk dat ik het werk van twee jonge medestudenten mag leren ontdekken : Romy E. en Jennifer Jansons (www.jenniferjansons.com). Limburg (vermoedelijk) en Amerika : één challenge! Het oeuvre van beide deernes moet geduid en getoond worden in een virtuele tentoonstelling in het Fomu. Budgetten heb ik niet nodig, maar voor ideeën van beiden sta ik open, evenals voor wie een cadapac-constructie op schaal kan verlijmen. Ik denk dat ik Nick Ervinck raadpleeg.

Intussen blijf ik parallax-arm fotograferen. Met weinig ruis, weinig onscherpte, zonder prijslijst, onbeperkt qua oplage en goesting, weg van bariet-technologie, flink geëerd door naamloosheid.

Mijn fotografenzieltje vlekkeloos houden, dat is de ware uitdaging. Pretentie laat geen sporen achter op beelden.