Luc Dewaele, dagboek

Over fotografie en leven.

Month: February, 2012

Vernuft en woorden.

“De participatieve zelfbevraging vanuit kunstsociologisch perspectief.”, lees ik ergens op een verwaaide achterflap. En meer: “Via een cultuursociologische analyse wordt nagegaan hoe verschillende maatschappelijke aspecten een invloed uitoefenen op artistieke selectieprocessen”. Of hoe je niet-zo-modale Paulette-met pecuniaire-possessie kan overtuigen dat je als begaafd kunstenaar je boterham mét vleeswaren wil beleggen, in de geschikte klantenkring. Of nog eenvoudiger : “geld maken met je talent, hoe doe je dat?”.

De voorbije dagen werd ik wat onderworpen aan uitingen vanwege fotografen. Of kunstenaars. Of mensen die carrière-stapsgewijs onderweg zijn van de ene naar de andere status. Ik geef grif toe : meestal, en ondanks mijn bereidorigheid, snap ik niets van artistieke belijdenissen. Niets van de “zelfbevraging”, “discursieve exposé’s”, “perceptieprocessen”. Nada, niente. Ik mis ongetwijfeld een stuk indenkingsvermogen in een artistiek vernuft. Of een stukje grammatica uit het grote lexicon van de glossolalie. Ik mis het en blijf het missen, vanuit mijn, helaas, vermeende nuchterheid. Diagnose : vakkundig afgeboord met… boerenverstand zonder adjectieven. En laat dat nu iets zijn, wat niet op prijs gesteld wordt door behendigen. Of word ik gelijk bejegend met domheid en balorigheid? Het weze zo. Ratio overleeft bij gratie van oprechtheid, niet van de waarheid.

Ik lees de onverbloemden. Spiritueel statement, ware het niet dat het rationeel toetsbaar is. Waarachtig is mijn Joodse oprechte aflijvige Susan Sontag. Zeker als ze stelt dat fotografen voor een verbrekende keuze staan : zijn mijn beelden te zien als “waarachtige expressie” of eerder als “getrouwe weergave”? In beide opties gaat de fotograaf uit van het ontraadselende karakter van zijn medium, van, met eenvoudiger woorden,  het realisme ervan. Fotografen kunnen moeilijk kiezen. Meestal gaan zij die ambiguïteit uit de weg, door hun werk als een gevecht voor te stellen. Iets gemeenzaams aan een slagveld waarin de ik-figuur de wereld beworstelt : de fotograaf is eenzaam in de grote wereld en controleert deze door er onvermoeibaar een beeldenplakboek van te maken. Of, de fotograaf is al overmand door de geweldige wereld en hij stelt zich enkel open voor een separate relatie met de realiteit die hem omringt. Beelden van mensenruggen, gesloten gevels, glasscherven op de grond, vertrapte vogels. U kent ze.

Vandaag leg ik mij neer bij een uitspraak van Boltanski : “Photography lies, it doesn’t speak the truth but rather the cultural code.” De camera liegt, de fotograaf liegt, de criticus liegt. Dat is de waarheid. En een stortvloed aan woorden en volmondige gedachten kan door niets aan veranderen. Jammer.

Photography is an immediate reaction, drawing is a meditation. HCB

Beeldverhaal, deel 2

Brussel, Zuidstation, 23 februari, 20h10

Roeselare,Marthe in SASK, 24 februari, 9h51

Roeselare, Robbe en Rudi, SASK, 24 februari, 9h59

Roeselare, Iris en Rudi, SASK, 24 februari, 10h

Roeselare, Luna, SASK, 24 februari, 13h11

Roeselare, Celine, SASK, 24 februari, 15h44

Roeselare, rug van Justine, SASK, 24 februari, 15h50

Roeselare, Justine en Celine, SASK, 24 februari, 15h51

Roeselare, Justine en Celine, SASK, 24 februari, 15h57

De laatste 52 uur : een beeldverhaal.

Lichtervelde, 22 februari, 13h35

Lichtervelde, 22 februari, 13h38

Gent, Sint Pieters, 23 februari, 7h55

Gent, Sint Pieters, 23 februari, 8h45

Brussel, Sint Lukas, 23 februari, 9h48

Brussel, Sint Lukas, 23 februari, 9h59

Brussel, Sint Lukas, 23 februari, 12h

Brussel, onderweg naar de Kapellekerk, 23 februari, 18h

Brussel, onderweg naar de Kapellekerk, 23 februari, 18h15

Brussel, Ashley Bowland, Recyclart aan de Kapellekerk, 23 februari, 18h40

Brussel, Ashley Bowland en Dries Segers, Recyclart, 23 februari, 18h48

Brussel, Ashley Bowland en Dries Segers, Recyclart, 23 februari, 19h11

Brussel, Ashley Bowland en Dries Segers, Recyclart, 23 februari, 19h16

Brussel, onderweg naar Zuidstation, 23 februari, 19h28

Brussel, onderweg naar Zuidstation, 23 februari, 19h36

Brussel, onderweg naar Zuidstation, 23 februari, 19h59

Brussel, Zuidstation, 23 februari, 20h04

Brussel, Zuidstation, 23 februari, 20h06

 

 

Onwisbare sms’en.

In de momenten van verveling (bijvoorbeeld tijdens de ochtendlijke treinreizen waarbij ambtenaren luidop hun wereldverbeterende visies verkondigen), op die momenten wis ik sms’jes. Een paar van die boodschapjes behoud ik, omdat ze een nostalgische waarde hebben. Die van toekomstige aflijvigen. Of omdat ze een mobiel nummer insluiten. Functioneel behoud heet dat. Een hoopje berichten conserveer ik vanuit een onbegrijpelijk genoegen : die met veel uitroeptekens en vraagtekens. Ik houd ze, omdat ze in  hun nietszeggende schreeuwerigheid, heel veel verdriet en onmacht verraden. Met andere woorden : ze hebben uitgeschreven emotie.

Ik zoek naar beelden met een ingetogen emotie, beelden waarvan ik tot voor kort corrigerend vertelde dat ze mij gevoelloos lieten voorbijgaan. Ik dacht ten dele verkeerdelijk dat de makers ervan formalisten waren, koel-berekenende kikkers, die onnaspeurbare concepten bedachten. Voor de inner-circle-fans, als bedienaars van een echt dieventaaltje. Ik was verkeerd in mijn kwikke inschatting. De limiet van de eigen moederbeeldtaal was bereikt, maar meertaligheid op vlak van actuele beeldvorming vereiste nog eerst een inleiding. Een stevige inleiding.

Daar ben ik nu academisch aan begonnen. Ik heb mezelf overtuigd en herhaal dit credo quasi dagelijks : gij zult geloven in de oprechtheid van de levende kunstmakende medemens. Ik pak hoe dan ook de verdwenen meesters bij de handbeentjes : Paul Martin, Arnold Genthe, Eugene Atget. Ze zijn dood, begraven en het graf is wellicht geruimd; ze zijn dus ongevaarlijk geworden in hun controverse, als die er al was. Vervolgens Robert Frank, Bernard Plossu, Jim Goldberg : fotografen die wellicht een nakende bijna-doodervaring ten volle zullen beleven, één dezer jaren. Ik wens het hen niet toe, maar hun levensloop heeft ook een aankomststreep. Net als het potje yoghurt in de nachtwinkel. Daarna kijk ik rond : Bart Michiels, Yto Barrada, … dient zich nog een documentair ikoon aan? (Je mag altijd suggesties doen….) Biografisch en technisch : het zal geen moeite kosten hen te strippen. Maar waar zullen hun beelden mij brengen? Welk verhaal achtervolgt hen? Welke betrokkenheid stuurt hen? (Ik zoek nog een helder woord voor het gevoel tussen “betrokken” en “emotioneel”.) Wat dacht je van “maatschappelijk affectief”?

Als ik mensen mag geloven, is het kunstenaarschap te schematiseren. Ik moet dit nog natrekken in de geschriften van Pascal Gielen. Maar één ding is nu al zeker : een kunstenaar mag academisch gevierendeeld worden. Er is het kwart van de inhuizige laborant : het beeld van de noeste thuiswerker die worstelt met een wit blad, een wit doek, een lege notenbalk of een blinkend fototoestel. De man heeft de niet te verantwoorden luxe om zich in zijn spiegel te uiten. Een ander vierde deel is evenmin aan verantwoording onderhevig : de gevierde kunstenaar die entertainend zijn centen opraapt. Zelfs boos of opgewonden scharrelt hij fondsen bijeen. En dan blijft er nog een essentiële helft van het kunstenaarschap te verklaren en dicht te naaien : die vijftig procent die worstelt met de vraag naar antwoorden op onvermijdelijke vragen. Vragen van publieke aard, in een schoolse context, binnen het nabuurschap van galeristen en curatoren. De mensen met bestedingsdrang van belastinggeld. Mensen die de kunstenaar wel degelijk op aansprakelijkheid attent maken. Altijd meegenomen, figuren die binnen de actuele kunstwereld een rekeninguittreksel opvragen.

Het extract van twee ijkpuntjes, in lijstvorm. Daarnaar zoek ik in documentaire fotografie. Twee, meer niet. Ze zijn al zo omstandig en weerbarstig dat mijn hersenhelften al beginnen te schuren tegen mijn hersenpan. Twee, zijnde één : het verhaal en twee : het maatschappelijk affect. Ik sms het naar mezelf, zonder uitroepbakens, zonder cynisme. Misschien betrap ik wel enige inconsequenties of gewoon plat opportunisme in het examineren van de actuele kunstwerkers. Wie zal het weerleggen?

Alvast weer een sms die niet te wissen is. Net als de beelden van Brusselse straten.

Recording the shame of others.

Vandaag nam ik een boek ter hand. Iets wat regelmatig ondwangmatig gebeurt, sinds de dag waarop ik zag dat het zonlicht af en toe scheen over het Brusselse Sint Lukasinstituut. “Regarding the Pain of Others” van die dekselse Susan Sontag , lag alweer weken op zijn schap in de bib, maar die even allemachtige Dirk Lauwaert moest er mij zo nodig wederom op wijzen, in zijn boek “Lichtpapier” (deel 3 van ‘Bibliotheek van de Fotografie).

“Kijken naar andermans pijn” verleidde mij om een flauw-Engelse variant als titel te verzinnen.

Ik ben namelijk al maanden druk denkende omtrent documentaire fotografie en hoe ze beet te pakken. Een beetje zoals de hengelaar die hoopt op meer dan stootjes tegen de dobber. Met de illusie van een vondst of een vangst kijkt hij in het rond en ziet niets dan de pure oppervlakte van de vijver. Rimpeltjes en hun louter windgebonden oorzaken.

Er is een Lauwaert nodig om die tweedimensionaliteit even te verstoren. Bij de hand dus maar, in de tuin der onlusten van Sontag. Het tuinpad blijkt overgroeid, net als onze blik. Als wij kijken, zien wij de buitenkant, het verdriet, de geschonden schoonheid, de pijn, het onderwerp. Maar wat met de blik zelf? Overwoekerd door emotie en compassie, blijkt deze zich te onttrekken aan onze focus…? Hoe kijken wij, met welk hersenfut nuttigen wij het beeld?

Een dagboek is niets van gewicht. Het verdienstelijke ervan ligt te rapen in een kuip van dagelijkse indrukken en aandoeningen. Meer niet, met voorbehoud van nog wat vraagstof. (Een co-blogger beschrijft het beter: http://uvi.skynetblogs.be ). Ik ga dus noch Sontags “Regarding the Pain of Others” noch Lauwaerts bedenkingen gauw gauw resumeren. Hun gedachten staan te boek en zijn bij momenten zeer raadpleegbaar. Te veel gewicht om op een drafje te ontvouwen. Ik hou het op persoonlijke vraagstukjes, waarmee ik bij mezelf wat pijn verwek. En schaamte, omdat zoveel mij ontglipt bij elke nieuwe foto. Omdat ik mezelf zo vaak op het verkeerde been leid, de verkeerde vlijt belicht, de verkeerde piëteit belijd.

Vanaf nu zal het “compassionate”-gehalte meedogenloos uit de beelden gewogen worden. Ik begin bij een beeld, gemaakt door een nauwe zeventienjarige bloedverwant. Vandaag, ver weg uit papa’s blikveld gemaakt.

Copyright Mathijs Dewaele.

 

Recyclart, op maandag.

 

De ware documentaire fotografie.

de buurt van de Kapellekerk, op zondag en maandag.

Copyright Papa Dewaele

 

Beeldtaal hertalen, een aanzet tot poging

Image

Op zondag 19 februari is het betamelijk om na te denken. Over carnavalstoeten, over goed- en andersaardigen onder ons, mensen, en ook omtrent de wetmatigheden en richtsnoeren van de beeldtaal. En de gesprekken die daaruit voortvloeien. Bij de zuidersen onder mijn West-Vlaamse cursisten (juist, het grensvolkje van het Menense) was gisteren een luchtig vonkje al ruim afdoend voor een Babylonische conversatie. Over het dodelijke gemak van postmoderne fotoproductie, over oude fototoestellen en over het leven tout court. (Omtrent de laatste twee moest je nadenken.)

Ik zal mij beperken. Tot wat ik behoed voor verdere verwarring. Beeldtaal, mijn beeldtaal. Ooit dacht ik de elementen waaruit de grammatica van de fotografische beeldtaal gemaakt is, te achterhalen.  De ambitie om een bloot- en drooglegging van fotobeeld te voleindigen, was mateloos : ik zou de ijkpunten aanreiken om foto’s met meer dan alleen “mmm, mooi” en “sterk” te duiden. Ik faalde. Mijn speurveld bleek veel te breed; het opsporen van essentiële beeldelementen bleek nauwelijks de gangbare uitdrukkingen te overstijgen. Fotografisch juryjargon is tenslotte niets meer dan een met veel adjectieven en synoniemen bekleed woord : “goed”. Of “slecht”, of een gangbare dualistische term.

Ik dacht na en dialogeerde : wat als het onderwerp van mijn zoeken nu beperkt bleef tot pakweg “documentaire beeldtaal”? Ik detecteerde zowaar een genoegdoening bij mezelf.

Beeldtaal van fotografische documentaires is gesneden koek en ei : de fotograaf heeft zijn verhaal, zijn politieke dada, zijn weerzin voor de onhebbelijken en zo genoegzaam voort. Geen schaarste in onderzoekspunten. Tot ik natuurlijk op Stephen Shore en andere nieuwe topografen stuitte. Wat doe je met zelfingenomen fotografen die de conventies binnen de echte fotografie parodiëren? De Naumans, de Hueblers van deze wereld? En erger : zij die de legitimiteit van de fotografische canon schaamteloos bevragen? Het verhaal terzijde schuiven, de “opdracht” verbranden en de beelden als middel en niet als eindpunt voorstellen?

Ik heb een probleem.

Dat van de emotionele weelderigheid. Het komt in me op om “emotie” en “engagement” te verengen tot wat lokaal, tijdelijk, politiek achtbaar is. Maar getrouw –intellectueel en strategisch- is dit niet. Een fatsoenlijke analyse houdt in dat ook bij de hedendaagse kunstenaar-fotograaf sprake kan zijn van een betrokkenheid en een emotionele verbintenis. Ik zeg niet dat aanstellerij en “air” geen nummer zijn in het circus van de actuele kunst, maar om de doodzonde van de veralgemening daarbij te bedrijven…?

Laat ik het dus simpel houden : ik neem een oud negatief, werk van een oude documentaire meester, een nieuwe file, werk van de nieuwe documentaire meester en ik scan deze menigmaal, veellagig. Ik bekijk en ik maak, ik beschrijf en hermaak, de emotionele dimensie van hun beelden. Intussen hou ik mij onledig : de weg tussen Hooglede en het hinterland ligt bezaaid met beelden. Het beeldend allooi ervan is recht evenredig met de hoedanigheid van de maker. Vrees ik.

Image

Image

DSCF5343

DSCF5343

Deze middag in de Recyclart bar.

Als malligheid een podium krijgt tussen stilte en ijskoude, kiezen woorden mij om één gedicht te schrijven. En daarna nooit meer.

 

Have some objects

I can say more if I don’t know.

Sometimes I wish there is someone

doing exactly what I do, vacuum cleaners,

building class of objects,

maybe it would happen

in this sculpture class

Mistake to be there

I think my interest

there’s a life in it.

more questions

surrealism

Koons

Jeff

 

A great opportunity is coming back tomorrow

Not.

Beeldjes bis….

Prijs van de fotogeniekste bezoekster.

Laureaat, tweede prijs

Coole buurt.

Beeldjes…

Recyclart, etlage 17, op een avond. En vele donderdagavonden in het verschiet.

Veel te bepeinzen rond context en verhalen .

Boeiende tijden op til: ik nader met krasse schreden tot het herkennen van concrete beeldtaalelementen, in documentaire fotografie. Of misschien beter gezegd: ik word geleid naar het demystifiëren van wat alternatieve beeldtaalgebruikers als gebetonneerde waarheden poneren.

Even was ik eergisteren verward : Michiel Hendryckx bleek zich alweer televisioneel te manifesteren. De voormalige leraar aan de Gentse Academie (waarvan ik dacht dat hij het gehad had met televisiefaam) , sprak het woord “lam” uit, met betrekking tot alleenstaande fotobeelden. Foto’s leven niet buiten hun anekdotische context, zo orakelde jonge pappie Michiel. Hij heeft uiteraard een punt: het is zalig voor een kijker als het beeld gepaard wordt met sappige anekdotiek; Michiel –zo mag ik hem aanspreken- beschouwt zijn kijker graag als een te leiden projectiel. Zijn brandstof is “emosine”, flauw maar brandbaar glijmiddel, als het er op aankomt beelden leesbaar te houden. Zijn foto van oerkoningin Fabiola is er het oervoorbeeld van : “Zoetje” straalt een tristesse en uitgelopen fond de teint uit, vanachter de glazen wand tussen haar en Paola, aldus fotograaf-eilandbezetter Hendryckx. Voor mij wordt deze woordelijke omkadering stilaan stresserend : ik neem geen genoegen meer met emo-anekdotiek rond beelden. Ik word ietwat lam en onmak van deze aanpak; ik wil meer dan alleen maar op het juiste been gezet worden. Let wel : ik hou van de leesbaarheid van Cartier Bresson, Doisneau en zovele andere zachtaardigen. Maar ik blijf hongeren naar het iets minder hapklare brokkenwerk.

Iets gelezen dan maar. “Shifting places”, van Alexander Streitberger, omtrent Peter Downsbrough. Over de gesteldheid van beelden, die niet passen in hun normale functionaliteit van spectaculair of controlerend medium. De “context” wordt op zich het grondprincipe, waaraan de foto’s hun bestaan en waarde ontlenen. Mooi. Interessant. Te bekijken. Ontkiemende criteria om foto’s beter te begrijpen, te selecteren, te ontleden.

Maar ik ga mezelf en jou ontnuchteren : beelden analyseren vanuit een geconstrueerd denkkader (waarvan ik denk dat deze als “filosofisch” en “kritisch” bestempeld wordt) werkt verlammend. Ik ontleen deze term aan Hendryckx, maar in een vrij vreemde context. De teksten en het gekunstelde projecteren van verwijzingen doen mij denken aan het analyseren van gedichten in mijn voormalig collegeklasje. Defectieve Van Ostaijen gewrongen in de volmaakte formule. Vingertje wijzend naar de navel van de analyticus van dienst.

Het spijt mij, meneer Streitberger. Je ontleding raakt alleen één kant en één wal, die van je eigen intellectuele beleving. Maar wat heb ik eraan als ik op zoek ga naar iets breders, iets meer universeel, iets meer geloofwaardig, als referentietoetsen voor beelden?

Ik eis meer dan de woorden “research” en “discours” en “pluri-dimensionaliteit”. Ik krijg deze niet aan mezelf (en aan cursisten) verkocht, als ik naar (mijn) beelden kijk.Misschien is deze opwerping een analyse op zich : deze van de fotograaf, met de simpele blik, die vanuit een naïeve zucht naar helderheid, zelf beelden maakt. Naar verluidt  sluit de fotografie dit ook in.

Of toch maar lezen tussendoor? Het boek “The Engine of Visualization”, van Patrick Maynard ligt op tafel. Brandstof. Andere stuff zijn de gesprekken, met mijn “fellow”-studenten en met uitgelezen docenten. Het draait rond “verhalen” in fotografie en woorden als “waarheid, authenticiteit, emotionaliteit”. Ik krijg het zwaar te verduren, in woordelijke confrontaties; mijn verworven wantrouwen overwint telkens weer mijn goodwill in deze transacties van gedachten. Maar intellectueel moet ik in verplichte modus toegeven: waarheidsgetrouwheid, authentiek zijn in motieven en uitingen, de uithoeken van de emoties verkennend, is er meer (of anders) dan de narratieve documentaire invulling à la Michiel en konsoorten. Misschien is een intellectuele souplesse mij weinig gegund – leeftijd speelt hierin een verontschuldigende rol – maar…. Om zomaar lichtgelovig in conceptueel raffinement te gaan geloven, is vooralsnog een handreiking te ver. Ik word nochtans zwaar verleid in deze kwestie, en niet alleen door grijze oude mannetjes, met berookte brilletjes.

Bewieroken. Hoor ik dit nog te doen? De goden en afgoden zijn aflijvig geworden. Toch even een kleine hommage aan de fotograaf die fotografeert. Die zich behept met vermoeiende gedachten en die zich spaarzaam ontdoet van zelfisolerend ideeëngoed. Die zijn geloof in de beproefde beeldtaal offert op het altaar van een ongrijpbare emotionaliteit. En die de intellectuele plooibaarheid toch wil koesteren, als een opdracht.

De fotograaf als open en weinig beschreven boeklezer. Hij vertrouwt wie met hem door fotoboeken bladert, in een Brusselse bib.Wierook als boter op mijn eigen hoofd. Dat van de fotograaf die “trotzdem” blijft fotograferen. Een onbedwingbare grijpzucht, zonder onderbouw.

 

 

Kick off of construction of exhibition.

Donderdag 16 februari, 19h, Recyclart, Ursulinestraat, Brussel. Wees er of ik ben verwezen.

Murus horribilis. Voor de niet-classici : de ongrijze muur baart een koord.

Dochter en licht.

Omtrent het waterpas twijfel ik nog.

Academie in Roeselare, wijkplek van eenzaamheid en jolijt.

Impressies van een school in  DKO-dag-actie. Overeenkomsten met aanwezige bezoekers berusten op puur welgevallen.

8h45, meesters in actie.

Inspecteur op bezoek.

9h33. Animatie-meisje.

 

 

White narrow gallery, een uitnodiging.

Mooie mens, voor de prijs van één bidon witte verf en een handvol deernen, oogst ik tijdelijke roem.

U vindt ons (de master-studenten van Sint Lukas Brussel) vanaf donderdag 16 februari, druppel- en traansgwijs, in Recyclart.

Ik zie je donderdag.

 

De kostprijs van respect.

In de kostelijke conversaties omtrent actuele kunstuitingen, is mij al vaker het woord “respect” opgevallen. Vaak wordt het gebruikt om een relatie aan te duiden tussen een kunstenaar en zijn onderwerp (weze het een mens van bloed en pezen, weze het een techniek, een traditie, een genre, een banaal object). “Respect” houdt in dat je het wezen van de mens of het ding behoudt, zonder al te grove manipulatie of bemeestering vanwege de kunstenaar. In zijn meest conceptuele, besmettingsarme vorm krijgt deze vorm van respect sterke gelijkenissen met wat het simpele volkje “onverschilligheid”, of een slimme verkoopszet noemt. “Respect” als synoniem van een bewegingsloze, emotieloze, ratiovolle en grondloze beleving. Omkaderd door handgezwaai, academische zwachtelgedachten en gestructureerde bronvermeldingen. Deze uiting van “respect” kan ik perfect vatten. Ironie kan de bedrijvers ervan, ietwat destabiliseren, maar ik respecteer hun nobele inborst. Ze zijn meestal zo braaf.

Braaf wil ik niet meer zijn. Als en slechts als de passe-partout-term “respect” gebruikt wordt als utilitair argument in gesprekken rond kunstervaringen. Ik verlies controle over mijn “braafte”, als een expert zich bedient van de gevleugelde uitspraak “gebrek aan respect”. Onvrijwillig en pissig herken ik de inquisiteur die met zijn laatste en dodelijkste zinsnede uithaalt. “Lack of respect”: ecce homo, zie de mens die dit zegt. In conversaties omtrent het werken in de kunst, kan men scoren: gebruik deze woorden als eerste en dan nog liefst correct getimed, de expertise onderstrepend. “Gebrek aan respect” kan bezwaarlijk weerlegd worden : het refereert naar een onvoltooid opvoedingskader bij de geadresseerde en naar dooddoende efficiëntie bij de kenner van dienst. Ik pleit voor een onvoorwaardelijke kruisiging van wie zich hiervan bedient. Of : verander de inzet van het gesprek, “kunst”, door “pelletjesshampoo” of “kunstmest”.

Respect heb ik voor wie leest. Dit of andere verhalen. En, o ja, respect heb ik nog meer voor wie de verhalen schrijft, erbij blijft, er beelden rond maakt. Respect voor dolende fotografen, die uitkijken naar zichzelf, ver en dichtbij. Laat ze maar komen, de nieuwe beeldverhalenvertellers. Michiel en Carl, Eugene en Jim : jullie zijn dan wel (bijna) dooie venten van het beeld, maar “respect”, dat hebben jullie alvast gediend. Ik bied eer aan.

Van alle hanteerders/handhavers van het argument “waar is het respect”?, blijf ik nog hongeren naar meer dan woorden of doorslagjes van witte verf.

Collega van pezen, zweet en missende tanden. Respect.

Netpostreclame, om uw bestwil.

Zaterdag 11 februari, SASK, Leenstraat 14, Roeselare, 9h tot 17h,  de DKO-afspraak, met respect.

Wij knopen aan met uw eenzaamheid.

Na de les omtrent Diane Arbus sloeg de levensvreugde om.

Bijleren 2.0 : (On)zin van een (groeps)tentoonstelling.

Cadeau de Marcel.

Ik wilde ooit deze zin schrijven : “Ik ben mikoffer van, ochherehottog, facebookdemocratie”. En, gelukkig, mijn manoeuver heeft een aanleiding ingehaald.

“Men”, de goedbedoelende geslachtelijken, heeft enkelvoudig beslist dat… wat volgt is een Kafkaïaans dictaat door mensen, die eigendunk verwarren met eigen signatuur. En die perfect schikken in het plaatje van haperende individuen. Een beetje Hoet-typetjes dus, maar dan zonder kardinale allures. En met wellicht een voorlopig nog ruisarme ademtocht.

Vanzelfsprekend is dit ingeblazen gehakkel geen zorg voor een Abrahamstelg, maar eerder een verwaaid spleetkuchje. Verlossend en buiten dit schrijfsel, zonder verder gevolg.

Ik wil iets constructiefs uitproberen : het vergaren van argumenten waarom iemand vrijwillig zijn werk individueel of collectief zou willen exposeren.

Stel : jij wil jezelf graag verhelderen, bij bijvoorbeeld je omgevingsgenoten. Je weet: dat gaat mij geld, moeite, tegenwind, grijze verf kosten en het omgekeerde van roem opleveren. Maar je volhardt, met stevige “dt”. Solo kan je deels je zin doen : er is de ruimte, de te behameren wanden, en elektriciteit. Punt. Maar in het meervoud van deelnemers stuit je op bezwaren : je co-exposanten hebben immers snel door welke plekjes te min zijn, wie waar zijn licht niet werpt op een ander sujet en hoe zo’n toonmoment iets kan uitlichten van stevige persoonlijkheden. Argumenten die tellen; een tentoonstelling zet een mens op de kaart, en een ander op zijn plaats. Samengevat, een expositie is interessant. Je leert vooraf mensen kennen, handig zijn, je eigen werk relativeren, onhandigheid waarderen en ook tijdens de receptie : je leert mensen kennen. Uiteraard heeft dit alles geen enkel belang. Ik wil graag echter ook ernstig zijn. Exposeren is echt noodzakelijk voor fotografen : omwille van de confrontatie met jezelf, je ideeën, je kunde. En ja, laat “kunst” nog wat achterwege. Volstaat je “kunde”. De kunde, om je beelden te kaderen in wat niet stoort en misschien wel versterkt. Om foto’s gewoon te ontdoen van wat ze maar lijken : inkt en papier. Blijven,“jezelf en je ideetjes” : voor wat beide waard zijn. Wat vang je ermee aan bij een tentoonstelling? Voor wie het solo speelt zijn er kansen : de wereld en de zon draaien om je heen. Geen vriend(in) die gniffelend het werk geen “tour de force” noemt.

Maar collectief, eerder competitief een tentoonstelling uitbouwen, dat is pas een krachttoer, zonder aanstelling van een curator. Maar wel in de slipstream  van eerder genoemde fb-prevel-dictatuur. Collectief tentoonstellen scheelt een hap op de spanningsfactuur : deze wordt vanzelf opgewekt, in de onblije zin van dat woord. En toch ligt hierin juist een kans. Namelijk : je kan verdwijnen. In het peletonnetje voor wie excelleren geen optie is, maar een argument. Verdwijnen als marketingstrategie : zwijg mij dood en ik word (misschien) verheerlijkt. Hoogmoedige illusies kunnen bevredigen, ik besef het. Ik ben ernstig : ik heb de argumenten op een rijtje.

Geen curator in de buurt van de Ursulinen.

Een résumé à la faveur van het groepsgebeuren. :

  • Je kan jezelf outen in de inner circle, als niet competitief en meerlagig gerust.
  • Je trekt een handige commerciële kaart : het podium waarop je figureert is niet voor  jou als eenling toegankelijk, maar voor een horde meesters wel.
  • Je kan geen confrontatie vermijden, als het over inhoudelijke sterkte van het werk gaat; het hangt er immers naast, of er net voor.
  • En onernstig : je ontdekt een vleugje misantropie voor gevorderden, in jezelf.

Antje zegt gewoon "dag Luc". Verontrustend.

Van dit alles heeft Antje geen last. Bij de eerste blik, noemt ze mijn voornaam. En ik smelt vanzelfsprekend. Antje heeft 2 volle maanden de etalage van Recyclart bevrouwd en er dingen gedaan, met handschoenen. En nu jaag ik haar onvrijwillig, met de handrem op, weg, om er een wand met verf te verzieken. Witte verf, zoals in geen galerie ooit gebruikt is. Het ga je goed, Antje, ik zie je op www.primitives.constantvzw.org

Tenslotte heb ik vandaag Duchamp ontdekt. En met veel goesting foto’s gemaakt. Mijn fotografenziel is wit, elke dag opnieuw.

 

Bijleren.

copyright Yves Veys

Ik raak bedreven en ontroerd.

Niet alleen als ik in de Academie, mijn eeuwig werkoord, tijdelijke studio’s laat opbouwen door bedrijvige cursisten, maar ook als ik simpelweg lees en zie. Zal ik in één adem beweren dat het “zien” eerder is dan het “lezen (en leren)”? Of omgekeerd? Voor mijn part hebben “zien en lezen” een synchrone draagwijdte.

Ik lees alvast bij Walker Evans:

“I go to the street for the education of my eye and for the sustenance that the eye needs – the hungry eye, and my eye is hungry.”

Als ik rondkijk, rondloop en gulhartig lees kom ik tot één conclusie, een beetje op zijn Sontags : de werkelijkheid beleven is begrijpen dat deze steeds complexer wordt; metterdaad wordt een beetje getoucheerde fotograaf daarbij gedreven om die complexiteit sterk te reduceren en te vereenvoudigen, en dus, gaat de simpele fotografenziel zich in zijn verslaving roeren : het fotograferen.

Weekendpret bederven is niet mijn doel, maar even stilstaan kan misschien toch wel iemand aanbelangen. Denk ik. Als ik – de leraar – zie en hoor hoe fotografen de honger naar beelden temperen…. dan word ik telkens gegrepen door de directe realiteit en welke potentie, welke gulheid erin opgepot ligt. Uiteraard zijn er de immer academische argumenten, verhindert de gedisciplineerde kijkethiek het eenvoudig strippen van de realiteit. En vindt men het afstandelijk kijken ver verheven boven het gewoon fotoknippen uit wat zich aandient. Maar toch : ik vermoed dat het gebaar van onbevangen fotograferen een geste teweegbrengt : die van het willen leren, primitief nieuwsgierig zijn.

Ik ontdek ook dat “lezen” zich verklaart in “oogsten, bijeengaren”. De fotograaf Walker Evans deed dit stoutmoedig in zijn werk voor de Farm Security Administration; volledig in de logica van het toenmalige “nieuwe” zien, maakte hij de beelden zonder sentiment, zonder conceptueel geëmmer, zonder ornament.

Ik denk dat ik verder lees en pluk uit mijn kringen.

P.s. mijn arbeidsveld is op DKO-dag 11 februari min of meer de Sask, in de Leenstraat te Roeselare. Welkom. www.saskroeselare.be

De Decontextualisanten.

De wereld is vol beelden, leerde ik van onze Noorderlichtburen. De wereld is ook vol van woorden. En woorden maken soms een wereld (hol).

De galeriewereld bijvoorbeeld. Schat- en woordplichtig aan zijn eigen bewonderaars en obligate passanten. Laatstvermelden kunnen uiteraard ook wel bewonderen, maar dan met een nuchterheid die ontwapenend bedoeld is, maar die helaas wel bewapenend werkt. Ten oorlog in Galerie Jan Mot, dus.

Een kinderlijk fototoestelletje is te allen tijde mijn compagnon de route, als ik op (oorlogs)pad ga. Zo ook deze vriesmooie ochtend. Onderweg van Hogeschool Sint Lukas, voor één keer in één gebogen lijn richting Beursgebouw, ervaar ik het licht van de winter. Mijn mechanische reiskameraad laat zich zelfs in deze halfbevroren toestand gaarne bevoelen; wij delen het liefdevol flaneren in de Dansaertstraat.

In het bijzonder nummer 190. Er staat een vriendelijke, spraakzame galeriehouder ons studentencollectief te woord. De ruimte is klein, killig en clean, ideaal dus om hedendaagse creaties te kaderen, te onderbouwen en van een context te voorzien. Wij leren : dit raamwerk is voornamelijk terug te voeren naar namen, kunstbeurzen en centen, in een omgekeerd alfabetische volgorde.

Ik luister naar anekdotes (over onheuse kunstpausen) en straffe uitspraken en onthoud de directe eerlijkheid van de heer Mot. “Ik presenteer het werk, ik spreek erover en ik verkoop, waarachtig”, een onomwonden analyse van de kern van de zaak. Het wilsbesluit rond deze drie werkwoorden wordt aangedreven door wat heet “economie”. Of in casu, “kunsthuishoudkunde”. Uiterst sec, het draait omtrent transacties van niet louter ideeën, verliefde knipogen en verlanglijstjes maar vooral van volatiele bedragen. De knip op de portemonnee van de collectioneur dient met verve en woorden geolied te worden. En dat gerichte mechanisme beboteren is de job en het lang leven van de galeriehouder.

Daar is niets averechts aan. Het is een roeping, zin geven aan de onnuchterheid van wie zin heeft. Waarin, mag de persoonlijke ademsfeer niet ontvallen. Maar ik word wel ademlozer en scherper met het licht van de dag. Glip eens binnen in www.janmot.com voor het raffinement van een beter onderbouwde beleving. De heer des huizes is innemend.

@ docent : een foto is in se een document.

Gedachten en een goede lichaamstemperatuur : ik vind ze het best in het maken van nutteloze beelden. Ik zwerf met open blik, word gewaar en leg schakeringen niet uit in te veel woorden. Ik denk een nieuwe school op te richten. Een eminente titel heb ik al, nu nog inwonende vereerders en samenzweerders en een marketing strategie. Help mij.

bij Eugene, Dansaertstraat honderd en een beetje.

Bij Atget, Dansaertstraat, nummer minder dan honderd