Luc Dewaele, dagboek

Over fotografie en leven.

Month: September, 2011

Dierbare personen.

Vandaag alweer Sontag. Het mens, reeds knokig bij leven en liefde, laat niet los. Zit er hars in beenderen? Of zijn de woorden beklijvend?

Ik ben tot de conclusie gekomen dat fotografen behalve leugenbrokjes ook nog dieven zijn. Op de individuele keper beschouwd kan ik zelfs nog wat niet alledaagse kenmerken opsommen van mijn gildebroeders. Wansmaak of erger, het gemis aan (wan)smaak. Maar dit is dan weer een royaal uitgedeeld talent in provinciale kringen. Of economisch bewegwijzerd narcisme, met voedselvetten, tegen de voorhuid gelapt.

Terzake, over fotografie en diefstal. Sontag schrijft ronduit dat de betekenis van fotografie in diverse vormen iets “verwerven” is.

Eén : er is de foto, als surrogaatbezit van een dier-baar iets of iemand. De technische of esthetische kwaliteiten van het beeld zijn hierbij niet van tel; de foto is een uniek object. Punt.

Twee : een foto hebben van een gebeurtenis, betekent dat je het gebeuren geconsumeerd hebt, zowel als lijfelijk aanwezige als in de rol van dromer, die er wat graag was bij geweest.

Drie : een foto verschaft kennis die loskomt van onze ervaringswereld. Je hoeft dus helemaal niet iets meegemaakt te hebben; een foto brengt je die informatie aan, die de ervaring zelf overbodig maakt.

Ik plak er een beeldje bij. Dierbare wezens, gedisciplineerd op een rij, wachtend, in tegenlicht, op de ervaring van het consumeren van voeder. Wij zijn allen consumenten. En diefachtig, leugenlistig. Pervert-plussers. Gelukkig worden wij af en toe omgeven door eerlijke beesten.

verboden voedsel op koppen te kwakken.

Bestialiteit

Titels kunnen misleidend zijn. Foto’s zijn dat zonder uitzondering altijd. Foto’s liegen omdat fotografen geregistreerde uitzonderlijke liegebeesten zijn. Ze doen alsof ze dé werkelijkheid tonen, terwijl ze zich uitsluitend focussen op hun eigen belevingswereldje en wat daarvan als illustratie uit de grote boze en broze werkelijkheid te rapen valt. Ze kiezen een moment, een standpunt, een brandpunt, delen orders uit aan argeloze modellen, snijden weg, zetten krom of recht, houden het midden (weg), ontkleuren en verzadigen, zetten namen en slogans boven en onder hun beelden, reizen ver weg en etaleren fantasie, die hen voor de angst voor de werkelijkheid behoedt.

Liegen en dwingelandij beoefenen : de fotograaf verplicht de kijker te zien wat optisch en mechanisch waar is. En de kijker verplicht zichzelf daar uitspraken over te doen.

Wat als de “fotografie de blik aan het oppervlak bindt” (Kafka)? En niets meer is dan dat?

Miss en de leiding (géén middelnederlands)

Sontag op zondag.

Susan Sontag wordt wel veelvuldig opgevoerd. Vanochtend nog schrok ik even op, terwijl ik bij een banaal bouwwerk zat te wachten op het doorbreken van de zon, luisterend naar Friedel, op radio 1. Een interview over boeken, met inmiddels wijlen Roel Verniers. Sontag werd geciteerd, iets in de zin van ” je hebt 2 identiteiten, één als gezonde mens en één als zieke”. Logische vraag: ” Hoe voelt het om van de ene dag op de andere je identiteit te zien veranderen? “. Zoveel logica in minder dan één uur…ik werd er niet opgewekter op.

Over identiteiten gesproken. Wat is de identiteit van de fotograaf? Bij een doordeweekse boerenfamilie uit Staden is dit niet meer dan die van een leverancier van pasfoto’s, na een obligate passage van de boerin bij de coiffeuse. Maar wat is het “zijn” van de fotograaf in een ruimere, weinig utilitaire context? Ik citeer mevrouw Sontag : de fotograaf schept een andere wijze van zien, die zowel koel, meelevend als onverschillig is; hij kan bekoord worden door een onbeduidend detail, en verslaafd worden aan incongruentie. Zijn fotografisch zien moet voortdurend worden geïnjecteerd met nieuwe schokken – of ze nu het onderwerp of de techniek aangaan -om de indruk te wekken dat de gewone manier van kijken geweld wordt aangedaan.”

Kijk, als ik dit lees, dan wordt ik bijna verleid. Verleid om in die logica mee te stappen en me niet meer meer af te vragen: “wat is de gewone manier van kijken?” En: “hoeveel is deze nog waard?”

Een fotograaf moet met niet te veel woorden antwoorden, maar met beelden proberen zijn gewaarwording uit de realiteit te plukken. En vooral niet te stoppen met zoeken. Alweer een credo.

in de bollenwinkel

Was het maar een vrij-dag.

Nadenken houdt niet op. Een dagboek bijhouden ook niet. Koppel beide aan elkaar en je krijgt een onrustig mens. Eén die flaneert, onvrijwillig observeert, met amper 5 vingers om op meer zere plekken te leggen.

Vrijdag, een vrije dag tussen twee lesmomenten in. Ik denk aan Susan Sontag en ik kijk naar de pijn van anderen. Geen kankerleed of celebrities met lekkende wisselstukken, maar echte pijn. De pijn van een stad zonder smoel krijg je zo in je gezicht geworpen. Ik geloof Lee Friedlander nu echt: de beelden komen jou tegemoet. Als fotograaf moet je slechts je welwillendheid tonen voor zoveel generositeit. Mens, wat voel ik me hier on-thuis. Een stuk of wat verkiezingsaffiches zullen dit misbehagen nog meer kleur geven. Wacht maar.

grens3

grens3

grens2

grens2

grens1

grens1

Queeste

Oud woord, nieuwe invulling. Op een doordeweekse grauwe dinsdag word ik met aandrang uitgenodigd, tot een zoektocht. Gelukkig kan ik volmondig “ja” zeggen; het is bewolkt weer en dat is niet zo bevorderlijk voor de betere architectuurfotografie. Het comfort van een goed voorbereide les is een extra zegen, met dank aan mijzelf en de aandachtige cursisten. Volmoedig ja dus op het verzoek tot een fotozoektocht. Niet wat je denkt – bezighouding voor embryonaal gepensioneerden – maar een dwingend verzoek om in één week een goeie dertig jaar fotografische beleving te analyseren en opnieuw uit te vinden.

Een “mastervoorstel” dus. Gewoon op vraag van mensen met priemende opmerkingen, omtrent het gewicht van mijn fotografie. Een meesterlijk voorstel, waarbij ik woord voor woord, moet afwegen, of het “waar” is, wat ik schrijf. Ik krijg vragen vanuit het standpunt van de kijker. “Hoe ga je je gretige nieuwsgierigheid bij de toeschouwer activeren?” Die zit. Geen pasklaar antwoord. Of toch wel, als het commerciële stuff (“assigment – commissions – editorials -publication…”) betreft. Dan zijn de normen (het standpunt van de klant) vrij duidelijk : kleurrijk, scherp, recht, eenduidig, lachende Flair-gezichten, dag-allemaal-beeldtaal…. Maar wat als je je inleeft in de ingelichte galerie-bezoeker…?

Dit wordt dus een eindeloze queeste, waarbij ik me meer dan eens aan zelfhypnose zal bezondigen. En route, vers Bruxelles, Paleizenstraat.

Maaike op maandag.

De krachtigste projecten voldoen aan een aantal zekere criteria. Eén: je begint er aan met een gezonde en forse dosis tegenzin, omdat er heel wat energie dient geïnvesteerd te worden. Energie die niet geleverd wordt door een contract met derden. Twee: het lukt maar druppelsgewijs. Kant-en klare beeldjes liggen wel voor het rapen, maar je wil uiteraard iets meer, zoeken, je in bochtenwerk draaien, mislukken en doorstarten. Drie: de factor “onzekerheid”, achteraf. Is het beeld wel sprankelend of is het enkel voortklossend op getrouwe techniekjes? Vier: de vraag naar consistentie. Is er samenhang mogelijk, met vroegere en toekomstige beelden? Of moeten verbale spinsels de beeldtaal onderbouwen? Vier bis : je blogt deze overpeinzingen en wacht. Op iemand met dezelfde vragen, zoekend naar eroderende wederwoorden.

Emile Zola schreef ooit (en ik durf het niet te vergeten of betwisten, want Susan Sontag citeert hem) : “je mag niet beweren dat je iets werkelijk hebt gezien, voordat je het hebt gefotografeerd”.

A mon avis, vous ne pouvez pas dire que vous avez vu quelque chose à fond si vous n’en avez pas pris une photographie.”

Alweer een waarheid waarmee wij moeten leven.

Maaike leeft met vele uitgesproken waarheden. Tierige en energieke gedachten. Ik maak haar portret, naar godsvrucht en vermogen, in haar luisterrijke huisje. En ik ga op zoek, naar hoekjes en kantjes, waar kleine beeldjes liggen, die zo veel verraden. En ik vind. Als op een dienblaadje. Tekenen van leven en waarheid.

maaike, krachtig

een muur bij Maaike, wachtend op meer.

Na champagne, de gedachten.

Op zondag hoort men calvinstisch te rusten. Niet te fietsen of toch wel ietwat te genieten van de aangekondigde suïcide van Sinead O’Connor. De zevende dag (of ook wel de eerste genaamd, afhankelijk van het perspectief) is mij sinds jaar en dag als rustdag vrij onbekend. Met beelden in de weer zijn laat je niet los.

Een dag als een worsteling in klassiek West-vlaamse stijl. Grieken en Romeinen hebben andere zorgen. Diep denken en oppervlakkig staren naar het scherm, dat niet wil gevuld worden. Ik denk na over het invullen van menselijke drang. Bijvoorbeeld : hoe vul je een master-voorstel in, op een substantiële manier? Ik raadpleeg een vriendin, eentje uit een boekje. Susan Sontag, on Photography, op een zondag. En ik vind antwoorden, zelfs op eerdere vragen: “De hoogste wijsheid die je over een fotobeeld kan zeggen, is : Hier heb je de oppervlakte. Ga nu bedenken – of liever gezegd, voelen, intuïtief aanvoelen –wat daar achter ligt, wat de werkelijkheid moet zijn als ze er zo uitziet. De foto, die zelf niet kan verklaren, vormt een onuitputtelijke bron van deducties, bespiegelingen, fantasieën.”

Zal ik deze zonderlinge dag zonder beeld afsluiten? Gewoon als slenteraar en leurder in losse gedachten? Iemand grinnikt nu, want dit citaat sluit wonderwel aan bij zijn foto-ethische oprispingen.

Misschien nog een korte wenk voor passanten van dit dagboek :”De flaneur wordt niet gestoord door de kortste weg maar laat ruimte en tijd open. Hij laat zich graag afleiden door zijpaden of ophouden door onverwachte ontmoetingen. Zijn doel? Geen ander dan het voeden van een gretige nieuwsgierigheid.” (Marijntje Denters)
Zal ik voortaan een nieuw familieschild laten gieten, met dit devies als lijfspreuk?

Morgen wacht mij een maandag. Wee de manspersoon die mij het flaneren belet.

Overdenken.

“Graven” is behalve een meervouds-substantief ook een werkwoord. Het opvoeren van lastige, belastende bewegingen in en uit (onder meer) harde bodem. Lastiger nog wordt het als de bodem ook nog rijkelijk bezaaid is met harde noten. Om te kraken, te pletten, koud te walsen. De noten van de veralgemening (tiens, ook een “mening”), de versimpelde analyse, het aha-geloei van “iets door te hebben”. De cerebrale angel van de dag blijft steken in de gedachte “dat fotografie slechts over de buitenkant gaat”. Emotie, gevoel, inhoud : het zijn labels die er naderhand opgekleefd worden en die met het beeld op zich niets te maken hebben, maar vooral focussen op de psychische toestand van de kijker. Een bejubelde foto die appelleert op emo-, psycho- of godbetert filo-content is dit uitsluitend omdat de woordelijke omlijsting dit beeld zo duidt. Met zakelijke woorden : wat prozaïsch geleuter rond een foto uitstorten en klaar is Kees. Of Nick, of Jimmy, of ….

Deze uitgesproken gedachte irriteert. Niet in het minst omdat deze onverwijld toepasbaar is op het gros van hedendaagse fotografen, maar omdat deze elke vorm van “fotografie bekijken” aan een droevige conclusie koppelt. Praten over foto’s is humbug; de entourage rond de fotograaf definieert de waarde van diens oeuvre. En wat overblijft is psychisch deficit, geprojecteerd door de kijker.

Kan dit statement stand houden? Kan een fotograaf iets inhoudelijk verbeelden en daarbij ook nog intellectueel oprecht zijn? Of laat hij zijn model maar wat uitbeelden, sopt hij zijn onderwerp in een badje van diepe gedachten?

Ik weet het niet. Ik kan wel enkele beelden tonen, of toch maar eentje dat ongevaarlijk is. Omdat de modellen van het beeld ver wonen en “internet” geen eetbaar of functioneel begrip is. Andere beelden gaan mij vriendschappen kosten. Over vriendschap gesproken. Is dit geen uiting van emotionaliteit en bovendien niet geloofwaardig in beeld te brengen, zonder acteer- of regietalent? Zoals ik al schreef: ik weet het niet. Ik hou het op een sprakeloze blik.

bajawa hospital, 4 juli

Dag allemaal, inclusief uitzonderingen.

Er zijn geboorteberichten en er zijn blogs. Het eerste herinner je hooguit eenmalig (per jaar), in samenspel met eventuele geliefden; het tweede beoefen je quasi dagelijks, in samenspraak met jezelf. Nuts-gewijs zijn beide bekendmakingen als goddelijke monstertjes, staaltjes, proefstukjes : het zijn momenten van zelfinspectie. Nutteloos voor de passant, welbesteed voor wie er doelbewust op stoot, de zoeker, de flâneur. Vergelijk het met staren naar zonnebloemen in de herfst : hun rijpheid komt niet voor als synoniem voor andere trefwoorden.

Zal ik met jou wat kuieren, een blogje om gaan?

Met een citaat als steen in het hoenderhok, als stok in de vijver en als porselein in een olifantenwinkel: “It isn’t what a picture is of, it is what it is about.” (John Szarkowski)

We zijn weg. Echt waar, echt levendig. Met groeiend éénpersoonsgelijk.

 

daglastig

Flores, Indonesië. Contentement.