Luc Dewaele, dagboek

Over fotografie en leven.

Month: September, 2012

Sepulcrum Rolariensis.

Scutum turpis manifestumque.

Aura autumni.

De lumificatie in de Belgische fotografie.

Een illusie: de beproefde vervalsers in de Belgische fotografie zijn ontmaskerd, de vertakte vervalsingen zijn getoucheerd, de makersnamen zijn bekend, hun daden ontluisterd. Tijd voor het sacrament van het oprechte beeld. Dat van de ongebonden fotograaf wiens vaardigheid  niet onderhorig is aan netwerken en academische broedstaketsels.

Na het verkennen van mijn eigen zuurtegraadgrens, is de tijd rijp en de geest uitgeziekt om de basiskwaliteiten van een beeld te ontdekken. Natuurlijk blijven de uitgeschudde ‘techniek’ en het immer geldende ijkpunt ‘verwondering’  onafgeschreven. Beide staan overeind in elke vorm van gezwatel over deze of gene beeldbedrijvigheid.

Over techniek : zowat elke fotoclubliefhebber is quasi exclusief op zoek naar het ultieme techniekje, enerzijds om kritiek terzake te voorkomen en anderzijds om vormen van bewondering op te wekken. Wie het handig aanpakt kan die egards in de tijd rekken: een exotisch reepje software dat één of ander effectje genereert, blijft tot net voor de demystificatie van zijn status tot gemeengoed, mateloze bewondering opwekken. Met internet tot in de ijskelder echter blijft het een ware opgave voor een fotoamateur om zijn techniekjes verborgen te blijven houden. Net zoals een hengelaar zijn lokaas in de luwte van de kanaalberm mengelt, net zo blijven fotoclubleden hun recepten in de donkere kamers samenstellen. Vaak blijkt een opeenhoping van Photoshopfilters, met een variërende doorlaatbaarheid de ware aard van deze kunstigheden te bewijzen. Nog net ontdekt in mijn beeldwereldje is het plug-in-assortiment van Nik Software. Wat voor een zondags fotografistje een waar festijn is aan ‘creatieve’ mogelijkheden (lees : je zal indruk maken) is wat mij betreft een grabbelton vol ironie-wekkende techniekjes. Leuk is het om een actueel beeldje van het kunstdorp Gits terug te catapulteren naar de 50’er jaren, met een vintage-knopje. En kijk, er reden zelfs al electrische bietentreinen langs het met zonnepanelen overgoten landschap. Of amusant is het verdrijf om het werk van Nick Ervinck te situeren in het naoorlogse Roeselare. Ik bedoel alleen maar: een techniekje kan vervalsingsdrang dermate stimuleren, dat de perfectie van de gereedsschapkist zelfs een eenzame spelbederver verwart.

Sedert de publicatie en herdruk van Sontags ‘On Photography’, weten wij allen dat fotografen liegen en vervalsen. Henricus Antonius van Meegeren – Han, voor de vrienden, ruste in iets dat op vrede lijkt – was een gekend criticus van toenmalig actuele kunstkenners. Als schilder kwam hij ver van de bak te staan; de critici ridiculiseerden zijn werk. Hij haalde zijn gram door op de muren van hun expertise zoetjes in te beuken: hij vervalste de schilderijen van de Meesters technisch-meesterlijk. En wachtte geduldig op de reactie van de kenners. Die onthulde dat experten ook maar bête, misleidbare mensen zijn.

Fotografen zijn a priori gekende misleiders, structurele veelplegers. Hun techniekjes, hun verbondenheid met voorvalletjes, hun hang naar verduisterde schermen: het is geen geheim. Fotografen vervalsen geen geschiedschrijving: ze nemen ons gewoon mee op een loopje met de wereld, hun wereld, het hier en nu. En gebruiken daarvoor speciale handigheidjes. De reeds vermelde photoshop-like laagjes, in vele gradaties en granulaties, maar ook wel de techniekjes van weglating (van context), afdrukken op het ongelukkige moment (voor het model), het spelen met de patroonherkennende vermogens van de kijker. Nick Ut en Jeroen Bosch, wij houden ze nauwelijks uit elkaar. Al werkt de ene al in kleur.

Tussentijds concluderend schrijf ik dat een blik op zeer binair-gebonden technieken (Photoshop, Nik, Lightroom,…) en op het bewustzijn van de vakgebonden misleiding (de realiteit is terug te brengen tot de beleving van de fotograaf) voor de kijkende kijker een licht kunnen werpen op het beeld. Het beeld zoals het zich aandient in zijn meest kwetsbare vorm, vrij van kunstkritiek, vrij van de monoculaire kijkbuis waarin het werk van Kets, De Keyzer en geringere meesters getoond wordt.

Het sommetje makend word ik verleid om een credo te verkondigen. Dat van het beeld dat ontdaan wordt van beetnemende systeempjes. Dat zich dus als vanzelf als zwartwit vertoont. Het beeld dat ontspringt aan het oog van de vrije fotograaf die context nastreeft (geen uitgeknipte waarheid), die afdrukt op ‘volledige’ momenten en zijn werk aan een onaangetast publiek te kijk stelt. De kans is klein dat je die fotograaf ergens in een galerietje op het lijf loopt.

Een ijkpunt dat door zijn eindeloze herhaling wat deerlijk overkomt is de ‘verwondering’. De feilbare leeftijd en –wereld liggen er wezenlijk aan ten grondslag, zowel aan het gevoel van zieligheid als aan de opmerkzaamheid voor die banale dingen als licht en raar opeengemetselde constructies, waaraan men zomaar voorbij fietst.

Ik wil ‘verwondering’ graag zien in een opwekkende context. Niet als kaalplukkend gebaar op de kap van de kunstalarmisten. Gewoon ‘verwondering’ als oplichtend puzzlestukje. Zo eentje waarvan je vermoedde dat het elders, in een andere speeldoos thuishoorde of waarvan je dacht dat het per abuis tussen de ware bouwstenen verzeild was geraakt. ‘Verwondering’ blijkt, voor zo ver ik cursisten kan vertrouwen, veelal het sluitstuk van een zoektocht langs vele ‘cul-de-sacs’, stroppende zijwegels van de inspiratie. Vele wegen zijn in te slaan – ‘originaliteit op technisch vlak’ prijkt op nummer één – maar, voor wie de leertocht vol maakt, blijft de ‘verwondering’ ietwat verweesd aan de mazen hangen.

Vraag is: wat houdt de ‘verwondering’ dan in, dat het residu ervan fotografen blijvend doet fotograferen? Ik ken geen eenduidige uitkomst op deze vraag. Maar misschien zijn enkele hints ter zake bruikbaar.

Ten eerste blijkt dit criterium nauw verbonden met de daad van het fotografisch kijken zelf. Wie zich als fotograaf openstelt voor zijn leefomgeving zal wellicht niet kunnen weerstaan aan de drang om beelden te schieten, als waren het jachttrofeeën. In de zin van dat unieke herfstlicht, dat verrassende samenspel van komende en gaande schaduwen, van texturen, waarvan de ruwheid of de wiskundige regelmaat, doorheen het fotobeeld ervan, beginnen te verrassen. Natuurlijk moet je daarvoor fotograaf zijn, en met graagte een fototoestel bedienen en bereid zijn jezelf te voeden met de gretigheid van het kijken.

Ten tweede zijn er inspirerende bedenksels, analyses die je even doen schrikken omdat ze zo raak zijn. Je jachttrofeetjes worden gekrast. Door woorden, die levendig worden voor wie kijkt naar de wereld en er foto’s van maakt. De woorden van Dirk Lauwaert, Paul Strand, Cartier-Bresson en anderen die beelden op een doorzichtige wijze belichten. Een database vol kijkbrillen, op allemans sterkte. ‘De Bibliotheek van de Fotografie’ staat er bol van.

Ten derde is er de economische nutteloosheid van de ‘verwondering’; je koopt er geen doorsopt theebuiltje mee. Het ijkpunt is, romantisch verklaard, ‘de allerindividueelste expressie van de enzovoort’. Er is geen prestige aan verbonden, je kan je er geen academische graad mee oogsten, geen sympathie, een beetje ergernis mee opwekken. Verwondering is vrij: het werpt licht. En verschaft zich een sluipweg tot kleine eigenzinnige wereldjes. Veel plaats is er niet in die kleine stelsels. Maar het is er knus, of bekrompen. Een ‘sterfbedzurige beleving’, naar kenners vertellen. De experten op wiens testikels Van Meegeren het gemunt had.

Welk traject is er voor de fotograaf die noch aan technisch vernuft, noch aan zijn persoonsverweven verwondering voeling verleent? Eerlijk? Ik denk aan een éénrichtingstracé, zonder zicht op beelden.

Emile Zola is nog duidelijker : “À mon avis, vous ne pouvez pas dire que vous avez vu quelque chose à fond si vous n’en avez pas pris une photographie.”

Booty Looting : vier jonge dansers, twee performers, de muzikant Elko Blijweert, de fotograaf Danny Willems en een kopieermachine.

Ultima Vez, in De Spil, te Roeselare. Donderdag 11/10, om 19h15.

Horresco referens.

Sol acta probat. Spes acta probat. Via acta probat.

Insanabile cacoëthes recuperandi.

Amor lucis ducit.

Exegi monumentum aere perennius.

Rus inacceptabilis est imperativus agraricus giganticus. (Memento predie Ides October MCMXII)

Lux et veritas et regina. (SASK, Roeselare, een onlatijnse les)

Contradictio mundi stellarumque illuminatio mea est.

De falsificatie van de Belgische fotografie (4).

In mijn vorige bespiegelingen rond het fotografisch bestel in België heb ik mij vooral toegespitst op de elasticiteit van beeldcritici en hun wendbare uitspraken over deze of gene fotowerkjes. Afhankelijk van allerlei belangen, zowel vanuit een stil-spiritueel dwarsdenken als vanuit evident economisch overleg , worden allerlei uitingen over goede en ronduit slechte fotografie aan- en afgevoerd. Ik heb vastgesteld (eigen oorschelpen als sluitstuk) dat tal van kern- en randfiguren, in een innige verstrengeling met elkaar, volharden in een wisselende kijk op het beschikbare beeldwerk. Vandaar mijn betiteling, de ‘falsificatie’, de botweg simpele vervalsing van de Belgische fotografie. Wat de kijker te zien krijgt is echt niet het resultaat van research of zelfs maar van een oprechte smaak; het is puur gestuurde mennerij.

Lente in Gent, 2012, april misschien. Iemand fluistert me op profijtelijke toon toe (het is op een zonnig terras, met koffiedrinkers in de buurt): ‘Contra principia negantem disputari non potest’. Vrij ontdaan van potjeslatijn klinkt dit : ‘redeneren (over fotografie) met mensen die de beeldende beginselen (ervan) niet willen of kunnen beheersen, is nutteloos’. Erger nog: verloren tijd, bijstere moeite, vergeefse energie.

De fotograaf in kwestie heeft gelijk: die woorden zijn vergooide adagia. Voor een kunststoffen kunstwetenschapper met de gebrekkige kennis van fotografie, als medium om zelf beelden te maken. En voor de omstanders met het gemis aan eerlijkheid om de analyse ervan aan de verwonderde kijker over te laten.

Persoonlijk heb ik de voorbije tijd nogal wat toonaangevende figuren die gedistingeerd omtrent beeldtaxatie uit de hoek kwamen, aanhoord. Hun dédain omtrent de techniciteit van het vak is wat hen bindt.  En toch lijkt het me aangesneden bochtenwerk om hun expertise ter zake openlijk -met naamsvermelding- te desavoueren. Maar uitzonderingen dringen zich nu eenmaal op, via de media. Veelpleger Michiel die radio-gewijs het korrelige beeldvertier van jonge begiftigden een zegen vindt voor het Belgische publiek: het blijft gieren. Galeristen in geldnood die hun snood businessplan aan intimi tentoonspreiden (en trots dat ze zijn), kunstenaars die een smachtend publiek op diens zieltogend verlangen bespelen (en trots dat ze zijn), docenten die in hun gewilde meerduidigheid voor menig zwijgend student overduidelijke kunde bewijzen (en plots weg dat ze zijn).

Ah, ah,… verpakkingsijver rond een gegarandeerd lege doos lijkt nog steeds het meest gewichtige kantelpunt in een kunstwereldje. In het West-Vlaams vertaald : ‘Hoe krijgt men een scheet in een netzak verkocht?’ Uitgeweken West-Vlamingen en ingeweken Oostenrijkers blijken er zeer bedreven in.

Tussen dit alles door ben ik nog steeds waarlijk op zoek naar criteria om zinnige dingen rond fotografie te schrijven; oprechtheid wordt mij hierbij voor de voeten geworpen. Ter vertrappeling uiteraard. Schijnbaar lukt dit beogen niet zomaar: simpele ijkpunten worden gemarkeerd als oubollig, vierkant ingeworteld of het kwadraat van onbenullige gedachten. Te verwijderen met sterke drift.

De franke beeldenmaker is immer gevoelig voor technische kantjes, en neemt de ontnuchterende vragen naar inhoudelijke onderbouw in één bevlogen bewoording mee. Postichekennis, valsheid in geschrifte en omgang, patroonheiligen als dekdoekje: het komt als vanzelf aan het licht. Een nonsensicale vraagstelling op een open forum, het aanhoren van onaffe zinnen (die antwoorden of veronderstelde kennis moeten voorstellen) : het brengt een bedreigende dynamiek in het circuit. Het netwerk dat zelfregulerend werkt door comazwijgen en uitbanning, voor wie de vinger hanteert om te wijzen.

Wie ad fundum proeft van dit circuitje, loopt een erg groot risico : de falsificatie van de Belgische fotografie lokt de individuele uitsluiting van de verwondering uit. Bij de fotograaf die graag met goesting fotografeert. Die er niet in slaagt om aan zijn beeldhonger niet te weerstaan. Zeker niet als het licht ‘mooi zit’. Mooi zittend als een schoothondje, op het spiegelgazon, wanneer het baasje op zaterdag, met bleekwater, het opritje voor zijn fermetje kuist. Ontroerend, routineus en met zichtbaar resultaat. Meer moet dat niet zijn, de verwondering van het ogenblik vasthouden, als ware het een porseleinen kopje koffie op een zonovergoten terras. Verwondering voor het nu en voor het wellicht later en alleszins voor de eenvoudigen van staat.

Natuurlijk is er de aandrang om meer school te maken met een kleine korporaal in de rangen: een iets of wat nieuwsgierig mens verwacht meer dan loutere ‘verwondering’ als betonnering van het beeld. En richt zich daarvoor tijdelijk op ‘professionelen’. Helaas.

Het bevreemdt ook u wellicht een beetje: het spijt mij voorlopig niet om vast te stellen dat het voor het oog liggend ijkpunt ‘verwondering’ stand houdt tegen schrijfselingen van betaalde critici. Zelfs mondhoekhangend, met gekruiste vuisten kunnen deze kapers van de Belgische fotografie niet bekoren; de aanblik van hun eigen portfolio (in vage mate versneden archiefrestjes, via het derde betalerscircuit mediakundig gemaakt) en het gewicht van de leesbare residu’s nopen tot beleefd knikken. Voor wie dan nog zin heeft in het fotograferen, wenkt de wereld vol verwondering. Verbazing na verbazing.

Labor calculatus omnia vincit.

Gustus dolorosus.

Cuius regio eius religio.

Colossus magnitudinem suam servabit etiam si steterit in puteo.

Caeli enarrant gloriam portus Rolariensis.

Fortuna caecum murum est.

De falsificatie in de Belgische fotografie (3). Nil desperandum.

Het zoeken naar een artistieke identiteit – een vermoeiende en belastende ‘queeste’ – is voor veel jonge mensen, die in vormen van kunstvorming volwassener geworden zijn, een beklemmende worsteling. Enerzijds is er de creatieve drang om écht goed en oprecht werk te tonen en anderzijds is er de ingelepelde vaststelling dat er méér dan talent en werklust nodig is om ‘hét’ te maken. Voor de argeloze kunstleek: ‘hét’ is in deze zin geen aanduiding van een heus kunstwerk, maar van een status en een pose om kansen te verwerven, in het strakke weefsel van overigens anonieme leermeesters. Zeg maar om de eigen gloria en eurobuidel op te vijzelen, iets waar elk onrijp kunstenaar op hoopt. Dit ongerept belust-zijn is het wingewest van getekende gidsen (in de coulissen), om jonge zieltjes bij te spijkeren, missiematig te kneden. De meeste jonge mensen verloten hun zieltje in deze queeste. Om een zeepbel vol rook na te lopen.

Ooit hadden ze de ‘guts’ om over een schoolpoortdrempel te stappen (het rokersgordijn was hen liefelijk), om ten minste een volle vier jaar kostbaar jong bestaan te offreren aan good- en willy-nilly-will van de vakmeesters. Inmiddels snapt elkeen dat het ontplooiingsritme van de ‘guts’ op maat van de tewerkstelling van deze ‘vakmeesters’ geadministreerd wordt: men zorgt zorgzaam voor de langzame rijping van de jonge koene kunstbende. Maar veel intenser nog mikt men op een vriendelijk bemaskeren van de ware spirit van menig magister, zijnde een goed pensioendossier van de docerende acolieten.

Maar ik dwaal kilgeestig af. Laat het ons houden op de falsificatie in het vermarkten van ‘namen’. Of: wie bouwt mee aan de façade en wie regeert de coulissen?

Een verwarrende anekdote is de prikkel die mij doet verkeren met dame dubio.

Minder minzaam geworden door ervaringen en vele conversaties, was het mij al vaker opgevallen hoe weinig naïef en hoe ontdaan van enige scrupule tal van medemensen zich een weg baande doorheen het bestaan. In sommige sectoren (dorpspolitiek bijvoorbeeld) is het theater der ziellozen vrij voorspelbaar; in andere bestaanstakken zijn de uitgangsgedachten vrij van eenduidige oprechtheid (spontaan denk ik aan katholieke vorsers), wars van competentie of gewoon los van elke vorm van fatsoen. Men vulle aan volgens eigen kwetsuren of het geloof in een geitenwollen wereld.

Ik dwaal natuurlijk alweer af. Geen love, peace and understanding, maar de bedroevende anekdote dus. Dit was simpelweg een gesprek met een onzijdig persoon in geldnood, met een kunstgalerie in het oosten des lands. Nota bene, conversatio in loco delicti. De sterveling verklaarde doodleuk dat een ‘naam’, die in deze galerie debuteerde, een aangestampte reeks tipzakken, aan de muur gekleefd, voor een goed voorspeld miljoen verkocht kreeg. Lires, peseta’s, franken of euro’s: het maakte niet uit; het was toch opgezette zelfbediening. Een slikprobleem diende zich aan bij dergelijke exposé rond werkende businessmodellen van de kunstwereld in België.

Dame dubio zit sindsdien niet stil in mijn bestaan. Elke kritische doorlichting van deze of gene kunstenaar screen ik genoegzaam op zijn auteur; de toevallige liaisons van beiden bepalen vaak het gewicht en de richting van een ‘kritische’ beoordeling. Vermorzelen of verheerlijken; kennen wij elkaar? Of zijn wij de enige gave raven? Tom Naegels, ombudsman van De Standaard, stoeit met dezelfde vragen (DS, 12 september 2012, p25). Hij lijkt jong en hoopt op onbevlekkenis bij alle spelers. Duidelijk geen loot van het Kunstonderwijs.

Oh ja, natuurlijk is de drang om namen te kleven op deze oprispingen aanwezig bij elke gedachte. Namen en electronische vingerwijzingen branden op het toetsenbord. Maar ik zwicht mij er voor al te herkenbare mensen ten tonele te voeren, uit bekommernis voor hun kwetsbaarheid. Voor één keer mag je dit als spaarzaam-ironisch aannemen. Mijn leefwereld is vrij van zwijgplicht, maar goedgebonden aan toewijding voor de onverdedigbare medemens. Een beetje katholiek dus, een beetje Alice Nahon, een beetje goedhartig ‘in ’t eigen hert te kijken’. Ook mis ik de kunstsociologische devotie die bijvoorbeeld Pascal Gielen, in zijn boek ‘Kunst in netwerken’, mét naam en toenaam, stoffeert. De auteur doceert trouwens buiten de landsgrenzen. Hoet voor hem.

Los van ontnuchtering en emotie is duidelijk : de economische belangen staan centraal in het debat rond kunst en de bedienaars ervan. Economische behartiging, berekend prestige, het carrière-kladje, een brede media-verzorging en derde, vierde, vijfde betalers voor eigen glorie. In dit debat komt bij de protagonisten bovendien vaak een vorm van basisdrift bovendrijven : de drang om mindere inheemse goden te chargeren en andere, onbereikbare maar bruikbare goden een genegen hemel toe te bidden.

Dezelfde reflex vind je bij de wolk van wetenschappelijke en andere klaartemakers rond de kunstenaars. Elk woord, elke analytische noot wordt op valsheid beproefd.

Gielen zegt het zo mooi, academisch-omfloerst, na een interview met Jan Vercruysse en Luc Tuymans:

‘Uit deze retroactieve reconstructies van kunstenaars blijkt alvast dat hun queeste zich uit in het zoeken naar een verhouding ten opzichte van de kunstgeschiedenis, het actuele kunstgebeuren, filosofische inzichten, een persoonlijke inbreng, enzovoort.’ (p162)

Twee regeldeeltjes blijven bij : ‘het actuele kunstgebeuren’ en het zo symptomatische ‘enzovoort’. Een beetje ter vervanging van drie of meer puntjes. Beide dekken de grievende vracht, die een omzichtig onderzoeker poogt te aan te reiken. De facto komt de wetenschapper tot dezelfde conclusie die voor een nuchtere Bierbeekse* boer al lang duidelijk is : Vlaamse kunst lijkt op een massief patattenkoopmanschap, met als inzet de prijs van patatten . Een deel is voor de zwijnen gereserveerd – intern gebruik, geen discussie, geen prijs, gewoon voeder. Een volume wordt opgeborgen voor de volgende aanplanting (ligt koel en donker, uit het zicht van menig wijsneus). De vraag blijft welk deel tot frieten vermalen wordt, voor de massa met lege tipzakjes, voor de ‘publieke ruimte’. In de beredeneerde berekening hieromtrent spelen veel factoren – een netwerk van verhoudingen, zegt Gielen:  de trafiek bij collegae-landbouwers, ruilvertwijfeling, de spanning van de wind en de schrikdraad, de net-gemist-rilling voor de boerin next door, het stijve been van de eigen humeurige boerin, jaloezie contant cash, het pintje na de zondagse hoogmis,  raadgevers van Boerenkamers, punt puntje puntje. Ik zie verwantschap.

Vlaamse beeldende kunst is in Vlaamse klei gegrond, op een klein, klein akkertje.

Ik zit er niet in vast. Maar ik heb er wel een blauwgeplekt benul van.

* het moeten niet steeds West-Vlamingen zijn.

Expertus dico, nemo est in arte catholica fidelis.

Dominus providebit.

Fallaces sunt rerum species (2)

Ego me bene habeo.