De lumificatie in de Belgische fotografie.

by luc dewaele

Een illusie: de beproefde vervalsers in de Belgische fotografie zijn ontmaskerd, de vertakte vervalsingen zijn getoucheerd, de makersnamen zijn bekend, hun daden ontluisterd. Tijd voor het sacrament van het oprechte beeld. Dat van de ongebonden fotograaf wiens vaardigheid  niet onderhorig is aan netwerken en academische broedstaketsels.

Na het verkennen van mijn eigen zuurtegraadgrens, is de tijd rijp en de geest uitgeziekt om de basiskwaliteiten van een beeld te ontdekken. Natuurlijk blijven de uitgeschudde ‘techniek’ en het immer geldende ijkpunt ‘verwondering’  onafgeschreven. Beide staan overeind in elke vorm van gezwatel over deze of gene beeldbedrijvigheid.

Over techniek : zowat elke fotoclubliefhebber is quasi exclusief op zoek naar het ultieme techniekje, enerzijds om kritiek terzake te voorkomen en anderzijds om vormen van bewondering op te wekken. Wie het handig aanpakt kan die egards in de tijd rekken: een exotisch reepje software dat één of ander effectje genereert, blijft tot net voor de demystificatie van zijn status tot gemeengoed, mateloze bewondering opwekken. Met internet tot in de ijskelder echter blijft het een ware opgave voor een fotoamateur om zijn techniekjes verborgen te blijven houden. Net zoals een hengelaar zijn lokaas in de luwte van de kanaalberm mengelt, net zo blijven fotoclubleden hun recepten in de donkere kamers samenstellen. Vaak blijkt een opeenhoping van Photoshopfilters, met een variërende doorlaatbaarheid de ware aard van deze kunstigheden te bewijzen. Nog net ontdekt in mijn beeldwereldje is het plug-in-assortiment van Nik Software. Wat voor een zondags fotografistje een waar festijn is aan ‘creatieve’ mogelijkheden (lees : je zal indruk maken) is wat mij betreft een grabbelton vol ironie-wekkende techniekjes. Leuk is het om een actueel beeldje van het kunstdorp Gits terug te catapulteren naar de 50’er jaren, met een vintage-knopje. En kijk, er reden zelfs al electrische bietentreinen langs het met zonnepanelen overgoten landschap. Of amusant is het verdrijf om het werk van Nick Ervinck te situeren in het naoorlogse Roeselare. Ik bedoel alleen maar: een techniekje kan vervalsingsdrang dermate stimuleren, dat de perfectie van de gereedsschapkist zelfs een eenzame spelbederver verwart.

Sedert de publicatie en herdruk van Sontags ‘On Photography’, weten wij allen dat fotografen liegen en vervalsen. Henricus Antonius van Meegeren – Han, voor de vrienden, ruste in iets dat op vrede lijkt – was een gekend criticus van toenmalig actuele kunstkenners. Als schilder kwam hij ver van de bak te staan; de critici ridiculiseerden zijn werk. Hij haalde zijn gram door op de muren van hun expertise zoetjes in te beuken: hij vervalste de schilderijen van de Meesters technisch-meesterlijk. En wachtte geduldig op de reactie van de kenners. Die onthulde dat experten ook maar bête, misleidbare mensen zijn.

Fotografen zijn a priori gekende misleiders, structurele veelplegers. Hun techniekjes, hun verbondenheid met voorvalletjes, hun hang naar verduisterde schermen: het is geen geheim. Fotografen vervalsen geen geschiedschrijving: ze nemen ons gewoon mee op een loopje met de wereld, hun wereld, het hier en nu. En gebruiken daarvoor speciale handigheidjes. De reeds vermelde photoshop-like laagjes, in vele gradaties en granulaties, maar ook wel de techniekjes van weglating (van context), afdrukken op het ongelukkige moment (voor het model), het spelen met de patroonherkennende vermogens van de kijker. Nick Ut en Jeroen Bosch, wij houden ze nauwelijks uit elkaar. Al werkt de ene al in kleur.

Tussentijds concluderend schrijf ik dat een blik op zeer binair-gebonden technieken (Photoshop, Nik, Lightroom,…) en op het bewustzijn van de vakgebonden misleiding (de realiteit is terug te brengen tot de beleving van de fotograaf) voor de kijkende kijker een licht kunnen werpen op het beeld. Het beeld zoals het zich aandient in zijn meest kwetsbare vorm, vrij van kunstkritiek, vrij van de monoculaire kijkbuis waarin het werk van Kets, De Keyzer en geringere meesters getoond wordt.

Het sommetje makend word ik verleid om een credo te verkondigen. Dat van het beeld dat ontdaan wordt van beetnemende systeempjes. Dat zich dus als vanzelf als zwartwit vertoont. Het beeld dat ontspringt aan het oog van de vrije fotograaf die context nastreeft (geen uitgeknipte waarheid), die afdrukt op ‘volledige’ momenten en zijn werk aan een onaangetast publiek te kijk stelt. De kans is klein dat je die fotograaf ergens in een galerietje op het lijf loopt.

Een ijkpunt dat door zijn eindeloze herhaling wat deerlijk overkomt is de ‘verwondering’. De feilbare leeftijd en –wereld liggen er wezenlijk aan ten grondslag, zowel aan het gevoel van zieligheid als aan de opmerkzaamheid voor die banale dingen als licht en raar opeengemetselde constructies, waaraan men zomaar voorbij fietst.

Ik wil ‘verwondering’ graag zien in een opwekkende context. Niet als kaalplukkend gebaar op de kap van de kunstalarmisten. Gewoon ‘verwondering’ als oplichtend puzzlestukje. Zo eentje waarvan je vermoedde dat het elders, in een andere speeldoos thuishoorde of waarvan je dacht dat het per abuis tussen de ware bouwstenen verzeild was geraakt. ‘Verwondering’ blijkt, voor zo ver ik cursisten kan vertrouwen, veelal het sluitstuk van een zoektocht langs vele ‘cul-de-sacs’, stroppende zijwegels van de inspiratie. Vele wegen zijn in te slaan – ‘originaliteit op technisch vlak’ prijkt op nummer één – maar, voor wie de leertocht vol maakt, blijft de ‘verwondering’ ietwat verweesd aan de mazen hangen.

Vraag is: wat houdt de ‘verwondering’ dan in, dat het residu ervan fotografen blijvend doet fotograferen? Ik ken geen eenduidige uitkomst op deze vraag. Maar misschien zijn enkele hints ter zake bruikbaar.

Ten eerste blijkt dit criterium nauw verbonden met de daad van het fotografisch kijken zelf. Wie zich als fotograaf openstelt voor zijn leefomgeving zal wellicht niet kunnen weerstaan aan de drang om beelden te schieten, als waren het jachttrofeeën. In de zin van dat unieke herfstlicht, dat verrassende samenspel van komende en gaande schaduwen, van texturen, waarvan de ruwheid of de wiskundige regelmaat, doorheen het fotobeeld ervan, beginnen te verrassen. Natuurlijk moet je daarvoor fotograaf zijn, en met graagte een fototoestel bedienen en bereid zijn jezelf te voeden met de gretigheid van het kijken.

Ten tweede zijn er inspirerende bedenksels, analyses die je even doen schrikken omdat ze zo raak zijn. Je jachttrofeetjes worden gekrast. Door woorden, die levendig worden voor wie kijkt naar de wereld en er foto’s van maakt. De woorden van Dirk Lauwaert, Paul Strand, Cartier-Bresson en anderen die beelden op een doorzichtige wijze belichten. Een database vol kijkbrillen, op allemans sterkte. ‘De Bibliotheek van de Fotografie’ staat er bol van.

Ten derde is er de economische nutteloosheid van de ‘verwondering’; je koopt er geen doorsopt theebuiltje mee. Het ijkpunt is, romantisch verklaard, ‘de allerindividueelste expressie van de enzovoort’. Er is geen prestige aan verbonden, je kan je er geen academische graad mee oogsten, geen sympathie, een beetje ergernis mee opwekken. Verwondering is vrij: het werpt licht. En verschaft zich een sluipweg tot kleine eigenzinnige wereldjes. Veel plaats is er niet in die kleine stelsels. Maar het is er knus, of bekrompen. Een ‘sterfbedzurige beleving’, naar kenners vertellen. De experten op wiens testikels Van Meegeren het gemunt had.

Welk traject is er voor de fotograaf die noch aan technisch vernuft, noch aan zijn persoonsverweven verwondering voeling verleent? Eerlijk? Ik denk aan een éénrichtingstracé, zonder zicht op beelden.

Emile Zola is nog duidelijker : “À mon avis, vous ne pouvez pas dire que vous avez vu quelque chose à fond si vous n’en avez pas pris une photographie.”