Luc Dewaele, dagboek

Over fotografie en leven.

Month: January, 2012

Verse werkplek, traditionele beletsels.

Mijn afgezworen rush-bestaan heeft een tweede adem gevonden in de Academie van Menen. Het is er een stukje thuiskomen – ik startte er ooit in een florissant tijdperk, lang geleden, mijn leraarsloopbaan.

Nu verwijzen wat fotosnippers aan een kast in een hoekje nog naar die gekoesterde tijden. Ook de eertijds impossante traphal heeft wat van zijn elan verloren; de erosie door passanten heeft ingewerkt. Jammer, maar de tand des tijds heeft ook zijn rechten.

Mijn verhaal omtrent “het gewicht van een (veranderende) beeldtaal” heeft ook hier uiteraard wat academische commotie losgeweekt. Mooi is dat, het ontsjorren van vaste gedachten. Esthetische ingrepen overboord gooien, schone prenten niet bijwerken in ongrijpbare software, het in vraag stellen van het dogma van de chronologie “eerst het vak leren en dan experimenteren” : het blijken stuk voor stuk bezwarende in- en aanslagen op verworven kennis en vaardigheden.

Naadloos kom ik tot de heer John Szarkowski, die fotografie een stuk rustiger en analytischer benaderde dan ik dit ooit zou willen. Als Moma-directeur werd hij er trouwens in baar geld voor vergoed – mijn verloning bestaat uit loutere wederwoorden en –beelden. Maar wij delen dezelfde bevrediging na bevraging.

Szarkowski dus in een notendop.

Eén. “Functionele” fotografie” dekt in zijn visie het domein van de documentaire fotografie; wij delen dus dezelfde speeltuin.

Twee. Eveneens gemeenschappelijk is het idee van de “genomen” en niet de “gemaakte” foto : een beeld, dat je steelt of plukt uit de realiteit en dat toch een betekenis en een helderheid heeft, waaraan een mens aandacht wil schenken. (Voor een gemaakt schilderij is dat logisch; voor een foto….).

Drie. En dan het huidplakkende hangijzer van de beeldtaal. Mens, als je begint met de oude, traditionele, geliefkoosde criteria te bepotelen, dan krijg je tegengasdrukwind.

Wist je dat zelfs een ikoon als Baudelaire de fotografie als “industrie” zag, “die de kunst binnengedrongen is en er de aartsvijand van geworden is”?

Beste lezer-cursist, je bent dus in goed, maar overleden gezelschap.

Voor wie bereid is, zijn traditionele ideetjes los te rijgen, heb ik onderstaande résumé van Szarkowski’s analyse.

De overigen raad ik aan een goed restaurant te bezoeken, zich naar het kampioenenbal van de vinkenzetters te begeven of te surfen naar een pornosite. Voor alles heb ik een goed adres, maar je kan natuurlijk ook gewoon de Weekbode bekijken.

Een spontaan ontbrandende collega.

 

U hebt gekozen voor : Szarkowski, Analyse, Intentioneel Goed Gevoel.

Vijf notoire punten. Alle gebaseerd op je persoonlijke wil om progressie te maken, op je menselijk bewustzijn (ik vermijd het woord “artisitiek”) en op de karakteristieken van het geliefde medium. Vijf dwarsdoorsneden : het ding zelf, het detail, het kader, de tijd en de gunstige ligging.

Het ding. Een fotograaf houdt zich onledig met het “actuele”, niet alleen vanuit de beperkende gedachten, zoals lokale persfotografen dat doen, maar ook met een open geest en intelligentie. Het ding (de actualiteit, de werkelijkheid) en het beeld ervan, ervaart en aanvaardt hij als twee, op elkaar lijkende, maar toch verschillende verschijnselen. In dit mijnenveld onderscheidt de fotograaf zich : met zijn beeldtaal beliegt hij zichzelf en/of de kijker, door te beweren dat de foto echt is, objectief, waar, authentiek. Komt daarbij de verontrustende gedachte dat de realiteit voorbij gaat en dat de liegende foto ervan als de echte realiteit blijvend herinnerd wordt. Het beeld overleeft de echte waarheid. De gebeurtenis zelf is ondergeschikt aan de foto ervan.

Dat is schrikken voor de heren van de traditionele beeldtaal – de dames zijn in dit geval plooibaarder.

Het detail. Een fotograaf vertelt zijn waarheid. De beeldtaal, die hij mal- of bonafide hanteert, de manier waarop hij met de realiteit onbewust of kinderlijk omgaat, is bepalend voor wat de kijker onthoudt.

De realiteit brengt, aldus Szarkowski, géén verhaal, maar fragmenten – details- en ruwe vormen, her en der gestrooid en suggestief. Die suggestieve kracht van dingen uit de werkelijkheid kan een fotograaf extra belichten, isoleren, abstraheren, detailleren…. (meer dan het banale beschrijven, waarin hedendaagse fotokunstenaars zich opsluiten – mijn opinie).

Foto’s kan je niet lezen als verhalen, maar in het beste geval, als symbolen. Door fotografen die iets uit de wereld uitgelicht en er bijzondere waarde aan gehecht hebben. Ik heb moeite om de narratieve eigenschappen van de fotografie (foto’s als verhalen)  te ontkennen. Szarkowski toont dit aan : geen beeldenreeks vertelt het verhaal zonder begeleidende teksten, ondertitels, titels. Als die er niet zijn, hangt een beeldverhaal samen met oppervlakkigheden.

If your pictures aren’t good enough, you aren’t close enough.” Een gefragmenteerde fotograaf zei dit ooit. Het oog voor het verkeerde detail is hem wel fataal geworden.

Het kader. Een fotograaf vult zijn beeld tot de randen, althans als hij de kostprijs van zijn pixels in acht neemt. Hij gooit achteraf idealiter niets weg van zijn beeld, maar selecteert bij opname : hij elimineert, hij kiest wie of wat binnen de grenzen van het beeldkader toegelaten of verworpen wordt. Dit maakt het voormalige “zwarte randje” tot een strijdplaats, waarrond spanning heerst. Het is dan ook onverwonderlijk dat kunstenaars deze grenslijn niet onbenut laten en er een aparte functie aan toedichten.

Szarkowski verwijst naar “rolschilderijen”, die afhankelijk van de rolstand, andere composities, uitsnitten gaven; een fotograaf kan op dezelfde manier naar de werkelijkheid kijken.

Ah, de tijd.

Ik zeg “ah”, omdat dit aspect zo lang op zich liet wachten. Spontaan denk ik aan alle fotografen die hun carrières debatloos opdroegen aan de “tijd”. Szarkowski deelde mede dat elke foto een ogenblikje tijd opeist en beschrijft, langer of korter.

Een foto is een uniek tijdsdocument, zo je wil : het toont nu in het heden wat overblijft uit het verleden en het voorspelt wat toekomstig is aan de hand van wat nu al zichtbaar is. (Een foto van een zandstenen fossiel van een zeedier, gevonden op 1000 kilometer van het strand, kan aantonen dat de klimaatverandering een toekomstige dreiging wordt – een losse gedachte mijnerzijds.)

Tijd is voor fotografen belangrijk : het verkeerd inschatten van de impact ervan op je electronisch gestuurde apparatuur kan je handigst vergelijken met de “mislukte beelden” uit de beginjaren van de fotografie. De tijd vond toendertijd een bondgenoot in lichtzwakke lenzen en ongevoelige emulsies; bewegende onderwerpen (“kronkelende babies”) werden gelaatsloze, transparante wezens. Kunstwetenschappers hebben hieraan echter weinig aandacht besteed; het waren mislukkingen waarvoor een klant in het pre-rilatine tijdperk node betaalde.

Szarkowski verwijst naar Balla en Gjon Mili, respectievelijk schilder en fotograaf, die de “tijd” in al zijn laagjes beetpakten. Het was altijd al een frustrerende fascinatie geweest om “tijd”, in de vermomming van beweging, haarscherp weg te kapen, een onbeschreven vorm van voyeurisme. Zien wat voor het onbekwame oog verborgen bleef, goddelijk toezien hoe de verboden vrucht ontdaan werd van zijn uiterlijkheid. De fotograaf als ontvreemder – wat een breed woord.

Schoonheid, mijn brave Menense betrapte estheten, zit misschien wel een beetje in het beslissend moment. Zeker, als je er in slaagt de tijd zo te fragmenteren, dat er mooie vormen zichtbaar worden. Maar Szarkowski heeft helaas gelijk dat die esthetische beleving eerder ligt in de schoonheid van samenvallende patronen dan in het vertellen van het (ontbrekende of verzonnen) verhaal.

De gunstige positie van de fotograaf.

Ik bedoel niet de wouldbe-persfotograaf die op alle kampioenenliturgieën opgevoerd wordt in pole position voor het betere alcoholgebruik. Ik bedoel de echte fotograaf die het juiste perspectief kan tonen, van waaruit de scène overzichtelijk als een verhaal samengevat wordt. Een beetje leugenachtig, maar toch, begrijpelijk voor wie gelooft.

De kunstenaar heeft van die eigenschap van de fotografie gebruik gemaakt : de optie om met fotografische middelen, zijn gevoel over, zijn visie op de werkelijkheid te ordenen, te vereenvoudigen. Of neutraler gezegd : de bekwaamheid van de fotografie om de schematische opvattingen over de realiteit uit te dagen of af te keuren, is door veel bewuste beeldwerkers in het juiste perspectief gezet. Tussen de gevoeligheid voor de wereld, de werkelijkheid en het gevoel voor vakmanschap (de tools van de opgeleide fotograaf), ligt het speelveld van de fotografie. Tussen het moment waarin enerzijds het beeld voor de kunstenaar zichzelf opdringt en waarin anderzijds de fotograaf al zijn tools er op loslaat, liggen nog heel wat ontdekkingskwesties.

Szarkowski meent de de evolutie van de fotografie geen kwestie is van lineaire groei, maar veeleer een een spiraalsgewijs ontdekken; de uitdaging ervan is een individuele materie.

Ik vrees dat hij een niet rimpelloos debat geopend heeft.

Sask Roeselare, er wordt gewerkt.

 

Academie Menen, er wordt gewerkt.

 

 

 

 

 

 

Verontzield rusten op vrijdag.

Wright Morris schreef:

“Beelden nemen razendsnel in aantal toe. Heb ik het verkeerd voor als dit me doet denken aan het drukken van geld in een periode van wilde inflatie? Weten we wat wij aan het doen zijn? Zijn wij in staat om te evalueren wat wij gedaan hebben?”

1978, het aanzien van dit jaar is loutere geschiedenis. Een paus die een kortstondige carrière heeft, mijn vader en Jacques Brel en Aldo Moro die ook totaal verwacht overlijden, en de creatie van een kind in een buisje en een 16 bits processor (dat laatste door Intel).  En dan de nog niet wijlen Wright Morris, Amerikaans schrijver en fotograaf, die er een stukje profetie bijschrijft.

Ik word dagelijks met de uitlopers van deze tekst geconfronteerd.

Te veel beelden en te weinig reageerbuisjes om hun substantie te analyseren.Beeldanalyses krijgen vaak de allures van wat woordenwaar en vage vingerwijzingen naar onbekende fotografen. Zal ik dan maar pleiten voor een handleiding vol verplichte woorden die beelden duiden of gewoon een veto stellen op bekende onderzoekstermen “discours”, “momentum”, “het artisitek dilemma, “postmodernistische tactiliteit”,…Ik worstel met eenvoudige woorden. Bijvoorbeeld het multifunctionele woord “respect”.Schrap dit woord en vervang het door “bewondering”, “eerbied”, “hoogachting”, “ontzag”,… Copy-paste het en je krijgt een totaalpakket van wat de digitale fotografie heeft voortgebracht. Beelden, tonnen beelden, geheugenkaarten vol beelden. Allemaal elkaar bevechtend.

Ik vraag mij af : ligt het vermogen om beelden echt te duiden, verscholen in het onvermogen om met de beeldenstorm om te gaan? Maar duidelijkere woorden : versmoren wij niet in de beelden en zoeken wij niet in de verkeerde grammatica naar de juiste bewoordingen? Kunnen de juiste bewoordingen over foto’s niet elders gevonden worden? Of zijn woorden altijd onzin, gekoppeld aan beeldtaal? Het kan.

Arne Schmitt, jongs Duits aanstormend beeldtalent, bewijst dat het met woorden kan. Beelden bekijken en er zinnige dingen over zeggen. De man kwam langs (in de Roeselaarse Academie, zag en bekeek, en overtuigde als een Romeins veldheer. Het is een stellige geruststelling vast te stellen dat praten over fotografie en zijn producten gemoederen kan prikkelen. Woorden van respect en bevraging.

Misschien ligt hierin een nieuwe grammatica verborgen?

Intussen zwengel ik de mallemolen van foto’s wat aan. Tot het ultieme samenvallen van beeld en woord, foto en beleving. Te mooi gezegd voor simpele foto’s uit mijn tuin der onlusten.

Parbleu, un photographe Sacré.

Gent is gekend. Voor termijnen waarin telkens die ene fotograaf er een visueel alleenrecht laat gelden. Gent trekt keizerskinderen aan, elke eeuw opnieuw.

Gent is ook een stad van ingewortelden : even terugkijken naar een tijd die nog niet helemaal overgewaaid is, streelt de illusie dat er ooit wel eens iets niet verdwijnt.

Het STAM, Gents voor “stadsmuseum”, behoedt de lokalen voor vergetelheid.

De Bijloke, het is er nieuwmodisch, sereen, verrassend flaneren. Ik mag er graag stranden. En zeker op dit tijdsstip. Nu Edmond Sacré ook zijn verast duitje in het citymarketing-zakje kan doen.

Er is dus een tentoonstelling van wijlen de man en wijlen zijn biotoop.

“Edmond Sacré, portret van een stad”.

Zo nietszeggend en lullig een opschrift kan zijn, zo betekenend is de architectuur van de tentoonstelling. Guy Châtel en Kris Coremans, de bedenkers kunnen bekoren, met hun “tentoonstellingskabinetten”, in de kloosterkamers.  Ongracieus glooiende spaanderweefselplaten in het binnenwerk van het klooster, uitgelijnd en functioneel ons aller patrimonium behoedend. Schouwmantels, witgekalkte muren, de abdijgeesten : zij komen ongeschonden uit de ingrepen van het expoduo. Het okeren licht geeft de constructie wel een tijdelijk werf-karakter : het mosterdkleur waarin de beelden figureren vind ik niet behaaglijk. Maar dit is à titre personnel, uiteraard. Van mosterd gesproken : Ik verwijs naar het werk van Hermann Maier Neustadt, indertijd in het Waregemse Be Part. (ISBN 90 7736241 X) De man construeerde ook zijn eigen cocon in het gegeven omhulsel, al keerde hij de ruimte ook wel binnenstebuiten.

 

Ik vraag mij af : zou een spiritueel grijskleurige constructie niet duurder geoogd hebben? Geelbruin is alleen in een Provencaalse saunahut op zijn plek.

En dan de foto’s. Als Gent-onkundige, als uitboorling, heb ik het grote voordeel van niet gecharmeerd te zijn door stadsgebonden romantiek. Gevoelens van ‘oh, herken je dat?’ of “Allez, als dat mijn betovergrootoom niet zou zijn, dan…”

Ik word dus niet geplaagd door enig nostalgisch verlangen.

Gelukkig maar. De beelden zijn zo koeltjes op één lijntje inschatbaar. Ik kan ze zien als loutere documenten van een tijdperk en van een loopbaan, die de expobouwers nogal vastberaden opsplitsten. Kunst, toren, gebouwen… Gevoelsgewijs weet ik dat die indeling klopt; ik hoef de beelden helemaal niet in een artistiek of poëtisch licht te zien. Sacré is parbleu gewoon een succesvol vakfotograaf uit een vervlogen tijd.

Ik lees in de persmap : “Zijn foto’s zijn niet snel en wild, maar traag en bedachtzaam. Zijn portretten zijn als stillevens. Zijn stadsbeelden tonen lege straten en pleinen. Sacré legt in zijn foto’s de Grote Geschiedenis vast, liever dan de dagelijkse beslommeringen.

Dit is een portret van een stad zonder de ruis van het alledaagse leven.”

Dichterlijk en verleidelijk geschreven, maar wat koopt een niet-Gentenaar hiervoor?

Ik ontleed dit met een West-Vlaams breekijzer : Citymarketeers hebben geoordeeld dat de relieken van deze ziel best eens opgevist konden worden; de hang naar herkenbare links uit het verleden verleidt, zet ticketeers aan het werk, en dwingt technisch oningewijden tot dichterlijke gewaarwordingen.

De cassante wil tot opdelen – bij curator en expo-ontwerpers – is overigens zeer ad rem en onpoëtisch : Sacré kan het best geconsumeerd worden in zijn voorspelbare vorm. Al word ik als onstedelijk buitenstaander door de foto’s an sich niet echt warm, en al helemaal niet door de noodzakelijk geachte verbinding met hedendaagse beeldexcrementen. (die ongelukkig groot, gelukkig buiten de intieme ruimtes geweerd worden).

Winters warm word ik niet : nu niet, nooit niet, met de eeuwig opduikende Keyzerspinguïns in de buurt. Parblue.

Dit is een advertentie. (Versie bis)

Geachte Onnozele Fotoliefhebber.

Ik heb veel respect voor U en Uw Werk. Dit moet blijken uit mijn hoofdlettergebruik.

Naar het schijnt hebt U veel inspiratie, tijd en beelden. Ik, als topfotograaf hebt géén van deze drie dingen op overschot en ook wel wat geldtekort. Kunt U mij helpen? Dank.

Stuur Uw beelden van fanfares en aanverwanten naar het Centrum voor Beeldexpressie; daar zijn wij zot van Uw foto-avonturen. Vergeet er niet bij te vermelden wie, wat waar getrokken is; dat bespaart ons veel tijd in het traceren ervan. U weet immers nooit dat ik deze fanfaristen ook wel op de gevoelige plek wil zetten. (Dat weten wij wel). Wij zullen U vermelden.

 

*** Deze fotowedstrijd leent zich bijzonder goed om te verwerken in jouw fotografieles ***

Dus heb je zin om met je klas een project te doen rond ‘Fotoboek De Fanfare’? Gewoon doen! 

En wie weet, misschien prijkt de foto van een van jouw leerlingen binnenkort naast die van Stephan Vanfleteren… 

Jong, of oud: iedereen mag meedoen. Hou ons zeker op de hoogte!

Ken je nog iemand die geknipt is voor dit project? Stuur deze oproep dan zeker door!

Donderdag, leerstelligheden.

Het begon alweer op de ochtendtrein: Susan Sontag spoorde eens te meer dwars door mijn leesveld. Vanuit één van de drie indringende boekwerkjes over het vak “bibliotheek van de fotografie”. (Uitgave van het Fomu en het meer breedsprakerige Nederlands Fotomuseum.)

Sontag omtrent Ernest Bellocq, je weet wel die Toulouse-Lautrec-achtige postuur uit Storyville, New Orleans. Juist ja, die “womanizer” of correcter en lyrischer de “fräuleinizer”. Het nieuwe woord duidt, naar mijn intuïtie, wezenlijker de relaties die hij had met zijn modellen. Over drijfveren van psychische en hormonale aard kan je beter bij Freud of mindere schobbejakjes zijn. Het geval Anna O. was immers even anoniem als Bellocqs focuspunten. Maar Bellocq kon hen wel degelijk over enkele tijdsgewrichten heen levendig en waarachtig houden.

Ik ben op zoek naar criteria om beelden te typeren, om hun waarde te verwoorden. Bij Sontag vind je bijna goddelijke inspiratie. Ze zegt verstaanbaar hoe de omhulling in elkaar zit, hoe je er doorheen kan kerven en onthult kernideeën. Ongeacht in welke mate beelden aangetast en bekrast zijn door de tijd en gebrekkige chemiekennis. Criterium par excellence is de factor “onvergetelijkheid”. Blijft een beeldje plakken aan je denkschors, dan zit je alvast goed. Overige pluspunten om tot een goede foto te komen : de grondstof. Werk met wat heet “de onderkant van het leven” (figuren uit de marge) en maak hun herkomst mythisch, een beetje vervlogen Marollen-allures. Voeg erbij, een afkalving van je eigen fotografen-identiteit (toon je foto’s niet aan je partner en aanverwanten), geef je modellen geen naam (laat je buurmeisje met rust) en fotografeer en schik ze informeel (een beetje zoals Jim Goldberg). Wees gewoon geen geschoold fotograaf, denk niet in RAW, ga in tegen elke blijk van academisme. En als je camera toevallig in video-modus staat, sla dan andere wegen in, andere criteria, andere kunsttheorieën : je heb dan geen gevonden object -een foto- voortgebracht, maar iets onpakbaars, iets immaterieels.

Naadloos komt de Kunst om de hoek kijken als het om beoordelen van fotowerken gaat. Op een leerstellige dag kan deze sensatie even aangeraakt worden, met een gevoel voor ongenuanceerd blogschrijven in de nacht.

Mag ik meedelen dat het opwekken van kooplust bij Kunst en waspoeder van eenzelfde orde zijn? Allebei schadelijk voor mens en dier.

Staat u mij toe dat de term “passie” in het kunstbedrijf een functie van allesopener opeist?

Laat je mij de onbeschoftheid om ronduit te stellen dat Kunst alleen bij zijn schepper bewogenheid opwekt? En bij braafgelovige studenten? (Docenten zijn afvallige gelovigen).

Kijk, beste volger, dit heb ik vandaag toch onmiskenbaar geleerd : een kunstinfarct wordt kunstmatig uitgesteld door geld, economische constructies, dikke diamantvrienden en een puur cerebraal engagement. Onderlinge ongerieflijkheid onder Kunstkenners, het blijft ontroeren. Maar alleen de kunstenaar die ten gronde aan dit geloof vasthoudt.

Misschien diep ik hieruit een propere maatstaf, om goede fotografie te verhelderen.

Iets in de zin van “kinderlijke natuurlijkheid” of minder mallotig gesteld : “authenticiteit”.

Wat als we het criterium “oprechtheid” bevragen bij het bekijken van beelden? En wat als commerciële tentakels even doorgeknipt worden? Kunst zonder speculatieve opties, zonder beaamde blabla, zonder media-comfort, zonder gepassioneerde “collectioneurs”, zonder…

Voor de rest van deze nacht blijf ik gewoon een beeldenmaker. Zo één die wel fotografeert, met een verengd zicht op een verlengd verblijf in het ongrijpbare archief van de hard disk.

Niet ik zal het posthume geluk kennen om ontdekt te worden door een grote vakgenoot, die met funeraire egards mijn beelden zal afdrukken, ze tot boek laten verworden en vervolgens zijn ding zal doen met de opbrengsten. Zo is het ongeveer gegaan met de eerder genaamde Ernst Bellocq, de man met het net-niet-waterhoofd en toch zot van onvervalst beelden maken.

Met dit laatste ben ik vandaag gewoon verder gegaan. Van Sint Lukas tot in Recyclart, de galerie aan de Kapellekerk in Brussel.

Je bent er welkom, op donderdag 16 februari. Ik toon er een hoopje foto’s, samen met Julie Vermeersch, studie- en beeldgenote. (www.julievermeersch.be).

De beelden: ze zijn echt van mij en jij mag ze gauw zien. Dit wordt onvergetelijk of onvergefelijk.

Of hoe zou Susan het gezegd hebben? Wie een levende goeroe in de etalage heeft, mag zijn hand opsteken.

Antje van wichelen, nu in Recyclart

Een fotograaf is een roofzuchtig mens mét tijd.

Is een fotograaf een ideale waarnemer, zo eentje met een alerte blik en een immer klaarstaand vingertje? Een beetje een schoolmeesterstypetje met een naar de ontspanknop gevormd en gekromd pootje?

Susan Sontag stelt het minder idealistisch : een fotograaf is botweg een agressieveling, soms sentimentloos, vaak vriendelijk, meestal verontschuldigend.

Verontschuldigend. Het woord is correct gekozen. Als je er rekening mee houdt dat veel fotografen zich constant van schuld bewust zijn en dus smoezen moeten zoeken, in de hoop dat kijkers hem geloven.

Tevergeefs. Een fotograaf is een uitbuiter. Van mensen, plaatsen, plekken (blauwe en andere) en van toestanden. Twijfel er niet aan; zelfs een ikoon als Cartier-Bresson vond een fotograaf toch maar een exploiterend mens. Eén die verdriet opwekt, omdat zijn apologie niets uithaalt.

Et alors?

Als je de kenners van de kunstmarkt aan de praat houdt, hoor je een identieke en nog meer zakelijke toon aanslaan. Kunst is als een derivaat van religie : een vooropgesteld onwrikbaar geloof, een hiërarchie van bedienaars, een filière van centen en missionarissen, en de eeuwige verketteringsreflex voor wie devieert. En een constante hang naar geld, geld en economische maaksels. Kerk, kut, kapitaal én nu finaal ook Kunst: één hoop puin én een opinie die ik me naadloos mag beklagen op maandagmorgen.

Voilà, alweer een vraagstuk opgelost.

Susan Sontag lost dit probleem van schuldbewustzijn bij de fotograaf intelligenter en academischer op: de tweeledige relatie van de fotograaf ten opzichte van de wereld blijft hem te allen tijde parten spelen. Het hoort bij het spelletje. Punt.

Ik ga voor een gedeeltelijk compromis tussen beide karakteristieken.

Natuurlijk (en dit woord is niet toevallig) fotografeer ik uitbuitend : er is het mooie licht, de indringende blik, het ongeveinsd moment van emotie, de schoonheid van het samengaan van beeldende bouwstenen. Ik smelt ervoor. En ik vraag van cursisten plusminus hetzelfde.

Anderzijds is er de realiteit die verplicht tot slaafs navolgen : een fotograaf die zich verborgen of discreet wegcijfert in wat de wereld blijft voorschotelen, verliest zijn pretentie. Die vleesgeworden Eugene Smith riskeert een mitraillage van depressies, waartegen zelfs een pakje Côte d’Or geen soelaas biedt.

Ik hou van wapenstilstanden. Als fotograaf bedonder ik zonder meer de rest van de wereld, maar….de realiteit rond mij parasiteert even goed op mijn beeldreflex.

Bestaat de werkelijkheid zonder fotografie? Ik bedoel het simpele “nu”, dat met dat techniekje brokkelig vastgehouden wordt.

Ik weet het niet. Ik denk van wel.

Even 23 seconden tijd gemaakt.

P.s. dit geldt niet voor fotografen zonder tijd. Deze zielen fotograferen niet.

P.s. twee. Leuke animatoren in galerij ‘t Punt, in het SASK in Roeselare.

“Droom jij er ook wel ‘ns van om je foto’s te publiceren in een boek van een topfotograaf?”

Ah, identieke oproep 34.547/5.2 quatter deze week. “Graag gratis beelden aub”, is de directe onverholen vraag, in dit geval van het Antwerpse “Centrum voor Beeldexpressie”, aan docenten fotografie uit het Deeltijds Kunstonderwijs.

Op straffe van ongewilde ruchtbaarheid rond dit initiatief, verklaar ik mijn koleirigheid nader.

Een “topfotograaf “ zoekt beelden en vooral tweedehands-inspiratie voor een boek rond “fanfares”. “Geef mij je beelden! Nu.”, klinkt het met een krappe deadline in het vooruitzicht.

Verloning voor zoveel Vlaamsche goodwill is…. getoond worden naast/onder het werk van ene Stefan Vanfleteren. Nooit gehoord van de man, niet in het project Noorderlicht in Groningen en niet onderweg er naar toe. Nooit enige publicatie ervan gezien, nooit gegoogled, nooit iets van gelezen, nooit stilgestaan bij een bijzondere beeltenis in het Gentse Circus Mahy. Echt nooit. Leeft die man van boeken? Mét foto’s? Met eigen foto’s?

De ontgoocheling leidt dus tot iets leugenachtigs, wederzijds, en zonder onderlinge instemming. Ik vraag mij pissig af hoeveel fotografen met een greintje eigenliefde hieraan gehoor en visueel gevolg geven. Ik waarschuw alvast mijn cursisten voor deze kapers.

De denigrerende oproep van een vzw’tje -met als doel: “de materiële en morele belangen van bovengenoemde kunstdisciplines te behartigen en te verdedigen”-, is zo oud als een verdwenen kerkwegel in Snaaskerke. Mensen zijn natuurlijk ijdel –ik mag zelfs namen noemen op dit blogje-, maar de vraag blijft : hoe ontdaan moet je als fotograaf zijn, om je beelden zo maar voor een schijn van glorie weg te schenken? Om even aan andermans schaduw te raken?

In dit opzicht zijn de New Topography-fotografen toch wel een stuk directer en eerlijker. De anonimiteit van de auteur-fotograaf is géén schande en geen gloriegewin voor “een grote naam”; de objectiviteit in benadering, het respect voor het onderwerp zijn hinderlijk voor enige publicitaire reflex. Beelden kunnen door iedereen gemaakt zijn en teren allerminst op artistieke en vergane luister. Vlaamse landsgrenzen zijn zeer restrictief : wij worden gedwongen te kijken naar notoire enkelingen, op de retro-businessboot, hoge ogen gooiend met andermans werk, onder hoogsteigen vlag het Vlaanderenland bevarend. De kapers zitten al voorbij de kust, in Antwerpen….

En dan nu mijn eigen smeekbede-beeldje. Stelen aub, goed voor mijn persoonlijke vermaardheid. Ik moet dringend een “vbg” oprichten, vervlechting behoudens glorie. Tenzij ik droom uiteraard…

Versteld in Damme.

Denkend de wachttijd te doden, geraakt een mens verdoold in Damme. Failliete horecazaken spotten op een maandagochtend of –het nutteloze aan de morgenstond koppelend- mijn lichte vrachtwagen wat vastrijden in Damse polderwegen. En tussendoor genieten van dat ene moment van licht.

Ik ben een fotograaf met een fototoestel. Ook binnen adem- en handbereik. Sedert oktober vorig jaar ben ik niet meer zo overtuigd van het feit dat elke fotograaf wel daadwerkelijk een camera achter de hand houdt, voor gebeurtenissen-tout-court. Een i-phone dat wel, maar een camera….dat weegt, op het alerte gemoed. En op wervels.

Damme dus, het kastijden van mijn chassis tussen bomen en mooi winterlicht. Geen ruimte voor de stress rond een zich ingravende camionette, maar wel voor de tijdelijkheid van het licht en voor de eeuwigheid van donkere wolken. Ik krijg één, twee, drie simpele kansen, een reeksje van “instants décisifs” voor de landschapsfotograaf. En dan is het gewoon voorbij. Kleur opgelost in grauwte. Zo eenvoudig werkt dat. Ik kan weer beginnen met het ontgraven van achterwielen.

En die beeldjes? Schoon, als immer. Maar ook een nutteloze knipoog naar de propere illustratie, het afgewassen behangsel. Fotografie die niet doelt op wat een foto kan aanrichten. Geef mij dan maar meneer Bellocq, de fotograaf uit Storyville, New Orleans. Zijn beelden bleven netjes verborgen tot een Lee Friedlander ze ontdekte en ze prompt printte. Bellocq maakte de portretjes van zijn talloze vriendinnen, wijds op een wijdse sofa, zonder artistieke bedoelingen, zomaar. Een beetje zoals Friedlander zelf fotografeert : zonder statement of hogere context.

Op Java heb ik een deel formalisme proberen af te schudden; het beetje eigen ballast tussen wat er toch al lag aan exotisch vuil en synthetische overschotten. Zoeken naar beelden, niet naar prentjes. Het is aartsmoeilijk; de Westerse canon zit zo ingeworteld in dat ene betekenisvolle ogenblik, dat plastische strijklicht, het evenwicht van alle beeldende actoren. Ik dacht: “Misschien vind ik een uitweg in het duister. Aan honderd per uur, ’s nachts hangend uit een treindeur, geen autofocus, ritmisch drukkend op de ontspanknop, een flits, hopend op wat openbaring.”

Of het gelukt is… is de resultaatgelinkte vraag. Geen idee. Mijn manoeuvre was alleszins geduldig, niet wars van professionele inzichten en met risico’s. Geen gezelligheidszichten.

Klem kan je ook rijden in onexotische plekken. In Damme bijvoorbeeld, onderweg naar mijn “Sterke Madammen”-modellen. Het idee is tweeërlei klaar : simpel en in een wipje te maken. Maar daarna komt mijn eigen Loch Ness-draakje weer om het hoekje: hoe raak je weg uit de poel van het doodse formalisme? Gas geven helpt niet, bezinnen en herbeginnen, wringen en duwen…. Het zijn gelukkige zielen die alleen maar kijken naar reisgidsen.

A perfect world: images à charge.

 

Beeldenrijk.

De camera als schild en vriend.

Geen poëzie, alleen maar een opwelling.

2011 herzien

The WordPress.com stats helper monkeys prepared a 2011 annual report for this blog.

Here’s an excerpt:

A San Francisco cable car holds 60 people. This blog was viewed about 1.800 times in 2011. If it were a cable car, it would take about 30 trips to carry that many people.

Click here to see the complete report.

Slot- en sluitstuk.

Verrek, ik vertrek. Niet dat ik er schoon genoeg van heb -verre van-  maar het obligate bestaan wenkt. Ondanks de driftige bekeringsijver van mijn Indo-vriendinnen keer ik als niet-Moslim terug naar het stormachtige België. Als de foto’s blijken niet goed of -desgewenst-, “traditioneel” te zijn, dan nog is er de zoveelste educatieve ervaring op rijpere leeftijd. Het is zowaar ondoenbaar om niet met de inheemse camera te “exotiseren”, om die donkere kijkers en gelige snottebellen gewoon te negeren. Af en toe is dit alvast gelukt. Misvormden en aanverwanten heb ik wat roepies geschonken, zonder meer. Geen foto, geen beeld, geen aanzet zelfs tot die eeuwige reflex. Reflux eerder, van vele spetters zure goedkope clichés. Zelfs 10.000 rupiah schenken is geen garantie op enige beeldvorming : een man, die iets onbestemds op de sporen aan het smeden was, verdween spoorslags de riolen in, na toekenning van dit honorarium. Weg foto, hallo gelukzaligheid.

Laatste blik op Jakarta Airport. Tuiten zonder tranen.

Laatste blik op Jakarta Airport. Tuiten zonder tranen.

 

Eén ding is zeker: een project rond de Indonesische spoorweg is een compleet jaarwerk-werk; ik was wellicht beter blijven stilstaan bij één stationnetje of één lijn. Toekomstige fotografen raad ik alvast de verbinding Jakarta Manggarai – Bogor aan: hallucinant, onwerelds, compleet ondenkbaar naar Westerse rituelen. Voor de genietbare verwondering, voor de beeldjager.

Kuala Lumpur, aan de grond.

Kuala Lumpur, aan de grond.

 

Het werk begint nu zowat : selecteren en “ontwikkelen”. Ik denk een puur zwartwit werk te maken, met grote beelden, zonder tekst, met alleen een indicatie van tijd. Misschien doorbreek ik het kleurloze geheel met de polaroidjes waaraan ik mij verlustigde in hotelkamers.

Ik zal op Oosterse wijze nadenken. Zittend, met een kopje groene thee binnen bereik. (Zeker nu ik naadloos van wijn, chocolade en koekjes met koffie afgekickt ben.) Onverslaafd nadenken, het is mij gegeven.

Vlak land wenkt.

Vlak land wenkt.

 

De dag na zondag.

Laat dit nu uitgerekend de dag voor mijn vertrek zijn. Net voor ik mij heel goed begon te nestelen rond de stationsbuurt Manggarai (Jakarta). Alle clichés omtrent Aziatische spoorwegen vind je hier terug: overvolle treinen met snotgastjes op het dak, uitpuilende deuropeningen vol schoon volk, bedelaars en schooiers, leurders van zowat alles (op plusminus tienjarige leeftijd), de geüniformeerde mannen met baviaanblik en de afgedraaide restanten van een rijk koloniaal verleden.

Na acht dagen, op één dag voor het afscheid weet ik zowat wat de niet-exotiserende fotograaf hier kan vinden; het klinkt banaal en zelfs weinig volwassen, maar hier in dit immense land vind je gewoon wat …. vriendschap. Ah ja, het einde van deze zwerftocht noopt uiteraard tot enige meligheid, maar toch, ik meen het, “vriendschap” is hier geen roepie-gebonden materie. De man en vrouw in de trein zijn gewoon gefocust op die rare snuiter met dat onnozel fotomateriaal. “Gebruik toch een mobiele telefoon, man, als je foto’s wil maken”, staat in hun gedachten te lezen.

Ik getuig dus van Westerse achterlijkheid, 60 jaar na de onafhankelijkheid.

Maar hun hang naar vriendschap is wel gemeend. En “ontvrienden” is hier een ongekend begrip.

Conclusie: – het is hier tenslotte al over middernacht -, op zoek naar trefzekere beelden van Oosterse medemensen en toestanden, loop je hier al snel jezelf voorbij. Na twee dagen heb je je beeldmateriaal en kan je inpakken. De queeste naar die beelden kan je wel efficiënt afronden, maar een eervolle vermelding mag je vergeten; je hebt duplicaten gemaakt, meer niet.

Het surplus, denk ik, is te vinden. Maar met tijd en energie en zin voor het “esthetisch manifest beeld”, zoals Lauwaert het schrijft. Ik weet niet of ik over dit ruw materiaal beschik. Het is nuttig de de grondstoffen te laten bezinken, naar de bodem van de objectiviteit. Zodat de gevoelige plaat ook echt gevoelig kan worden.

Content ben ik waarlijk, omdat ik dit rijpingsproces mag meemaken. Vanochtend vroeg waag ik nog mijn kans, met ontvette middelen, zwervend in het Manggarai-station. Hoewel het niet bon ton is, verhoop ik mijn standpunt van objectief en gevoelig fotograaf even te onderstrepen. En wat morgen niet opdaagt voor mijn lensje, ah ja, op een andere keer dan, misschien. Wachten is een Oosters talent.

Heb geduld voor beelden.

 

De bewijzen.

Beelden op een blog bewijzen dat internet bestaat, meer niet.

Op de zevende dag rusten…..

….de treinbegeleiders, de machinisten, de spoorwegpolitiemensen, de toiletopkuisers, de treinkeukenchef en het wagonzaalpersoneel, de spoormanagers-on-duty,….. en dus is er geen trein van Bandung naar Bogor. Eén januari vieren in een auto, op een tolweg, met Europese plakkaten. Dit is geen Indonesisch avontuur meer.

Het avontuur herleeft in de megastad Jakarta, ergens in een verpauperde buitenwijk, met een eigen stationnetje. De trein – een hybride-maaksel tussen trein en metrostel – stopt er even en snelt dan weer onverdroten verder, richting Bogor. Indonesiërs zijn meervoudig gek als het op veroveren van een schaars zitplekje aankomt. Er wordt niet zachtemensgewijs gewacht tot zelfs maar één passagier uitgestapt is; de meute stormt gewoon de trein in. Wie zit, is gewonnen, of zoiets. Eigenaardig volkje; ik moet dringend de kleinzoon van Edward Douwes Dekker hieromtrent bevragen. Of heeft vriendelijkheid ook grenzen?

Geen grenzen kennen de onaflatende blikken mijn richting. Ofwel is het de geur, ofwel de kleur, ofwel het formaat, ofwel het fototoestel. Ofwel een cocktail van dit alles. Ik voel mij een albino-alien, maar laat mij niet als dusdanig kennen. Eén vraag in eenvoudig Indonesisch en ik reply steevast met onopgefrist West-Vlaams. Mooi toch, multiculturele communicatie. Werkt altijd en heeft een afschrikkend effect op inheemsen.

Bogor is de ultieme verschrikking voor een ecologisch-geïnspireerde ziel. De trein rijdt gewoon een openbaar stort binnen. Als Bandung al de milieuhel was, dan is Bogor het infernale nec plus ultra, zo verregaand vuil dat ik er geen beeld aan vuil maak. Geen kolonisator zou hier, zestig jaar na datum, zelfs zijn groot gelijk kunnen terugvinden. Meneer de President, geef terug die onafhankelijkheid. Laat de Hollanders nog één keer een kans.

(Ik vraag me trouwens af wat dit land met zijn oliedollars doet? Niet kwaad bedoeld, gewoon nieuwsgierig…)

Ondanks dit alles is Bogor echt wel gezellig. Als mijn beelden dan toch een richting krijgen ,mag het gerust hier zijn. Vanuit mijn hoofdkwartier (Abu Pension, op 50 meter van het “stasiun”) zou ik stressloos 14 dagen in en rond het stationnetje kunnen rondlummelen. Met mijn eenvoudig meetzoekertoestelletje kom ik hier al heel dicht bij de mensenmassa. Soms verdwijn ik er zelfs in, vooral als alweer een arriverende trein moet bestormd worden. Empathisch fotograferen, het zit mij wel in de aderen.

Wat heb ik dus geleerd vandaag? Simpel: fotograferen is het bepalen van heel nauwe open grenzen. Op één plekje, met een robuust cameratje – geen balast-, alert wachten en klaar zijn tot iets zich voltrekt, wat het ook zij. En vrijgevig zijn, in woorden, in hartelijkheid en af een toe ook in roepies.

Als het wat prekerig klinkt, vergeef mij, want het is zondag, één januari, ik mis internet en veel meer Belgische bloedconnecties.

Beelden volgen.

Dag 6 reviewed.

Beelden bij proza. Ik ken lieden die ervan gruwen. Maar up-to-date academische opwellingen kan ik hier wel enigszins relativeren. Geniet maar even bij een glas champagne, zelfs in de Belgische ochtend.

Beeldjes met terugwerkende kracht, vanuit Jakarta.

Foto’s maken van de vervlogen tijden onzuivere referentiepunten. Een selectie uit dag vijf.

honingmaanreis. Duidelijk wie de baas is.

Pipth, mijn favoriete islamadam. (één foto mocht)

Overblijfsel van Willem 1