Luc Dewaele, dagboek

Over fotografie en leven.

Month: December, 2011

Dag zonder titel (geen tijd)

Alweer dag zes. Vanuit Yogja spoor ik naar Bandung, waar ik al eerder was. 7 uur op de trein, maar de tijd vliegt voorbij; ik word langs alle kanten aangevlogen. Blijkbaar heeft geen mens hier ooit een witte neger gezien…

Ik heb ontdekt wat pendeldiplomatie is. In de ene zetel zitten babbelen met Maria, van katholieken kunne, omtrent kelken en andere Belgische operaties; in de tegenoverliggende stoel zat treinbegeleidster Irna, mooi gesluierd Moslima te wezen. Zij wisselden geen woord met elkaar. Ik heb ze allebei een beetje geplaagd, met vervelende waarom-vragen omtrent het Maria-medaillon en het spannende doekje. Gniffelen met volle teugen, maar toch zijn we als vriendjes gesplit in Bandung. No hard feelings. Hoop ik, maar met meisjes weet je nooit.

Dan maar weer aan het werk. De trein is mij te klein aan het worden, Indonesische ogen minder verleidelijk en mijn reflexen ietwat minder scherp. Ik denk aan mijn fujispeeltje, de Instax. Misschien.

Vanavond 2012 gevierd in Bandung. Een schermpje met af en toe een sms’je van nieuwe Indo-vrienden, even gezellig met mijzelf gedineerd in een leeg restaurant en dan maar (noblesse oblige) het gekende nachtbestaan opgezocht. Braga-straat, met een paar karaoke-tenten, honderden brommers en eetkarren en een dieptreurig onafgewerkt winkelcentrum. Indonesiërs zijn gek, in het verkeer, in hun leefomgeving, in hun party’s, met vuurwerk, aan de rand van het zwembad, met kinderen op anderhalve meter. Maar ze zijn allemaal zo lief, meneer. Lief en gek, een combinatie om er brand-, snij- en schaafwonden bij op te lopen, respectievelijk als kind dichtbij vuurpijlen, als treinpassagier tussen twee wagons in, en als motorrijder, maar daar maalt niemand om. Hier worden meer brommelaars omvergereden dan egels en katten en kiekens te samen.

En foto’s tsjah. Ik blijf de horizon van mijn eigen vertoeven alhier afschuimen. Misschien valt daar wat rapen.

Beelden komen, wees niet ongerust; alleen is het lokale internet wat te krap voor mij. Een tekst is zowat het hoogst haalbare. Of heeft de rivierdiepe rommel ook de internetbuizen verstopt?

Rechts, rechts, rechts,….

…is een vierkanten logica die niet opgaat in Yogjakarta. Het Westerse dambordpatroon van een urbanistische planner houdt hier geen steek: je slaat straten in en in en in en de enige waarachtigheid die je bekruipt, is dat je verloren loopt. En dat op sandalenvoeten, tijdens tropische buien, in duisternis, in plassen, waarin men riksjarijders ziet plassen. Van Ostaijen kan het niet beter dichten.

Heden ochtend een trein genomen. Yogjakarta-Solo, alwaar de meest islamitische gids ooit, mij opwachtte. Pipith is de naam, de sluier verbergt elk haartje van schaamte en zij leerde mij destijds dat je een moslima nooit de hand mag schudden. Ooit leidde ze onze groep verwaaide Westersen doorheen Java, met een zo om zich heen slaand enthousiasme, dat ik echt schaamteloos verlangde haar terug te zien, met wederzijdse gevoelens. En het allereerste wat ze deed, deze middag, was…mijn handen vastpakken; ik had het nog zo gezegd. Ik zweer het: nog nooit was thee slurpen met een dame in de VIP-lougne van Solo Station zo intens gezellig. Je kan haar nog boeken – als kuise gids-, maar haast je, want ondanks haar eigen huwelijkse staat én moederschap, zoekt ze een job als “nanny”, in het buitenland. Iemand moet haar vaderlijk in bescherming nemen – it’s the economy, you darling fool. Ik waarschuw haar voor Arabische Aarschotstraten.

De fotografie. Ik weet het niet meer. Kotsgenoeg van Indonesische schonen, vuilhopen, oud rijdend metaal op de weg. Ik ben zoekende. Naar iets meer steekhoudends. Wellicht verlaat ik de esthetische route van de tropische fotograaf en sla rechts, rechts, rechts in. En maar hopen dat ik verloren loop. Alleen mijn camera kan (nog) niet tegen opspattende riksjarijdersurine.

Beelden volgen: het internet in Yogja hangt met korte eindjes aan elkaar geknoopt, it’s the technology, you old fool.

Surabaya-Yogjakarta (iemand een aardiger titel?)

Voor één keer zit ik te wachten op mijn bodybewaarder. Een verklaring is bij schuim en zweet gauw gegeven: de eerste taxichauffeur heeft ergens in zijn carrosserie een motorrijder gevangen. Halfdood, maar er zijn nog 185 miljoen wachtenden achter deze brave ziel. Penny is vrij van medelijden als het over zijn landgenoten gaat en dus maar snelsnel een andere taxi genomen. De uitverkoren taximan van dienst is, naar Belgische normen, een zware verkeerscrimineel, maar niet gezanikt, wij bereiken het station op tijd. En dat is toch wel de kern van de zaak.

Het ware reisverslag laat zich al raden. Dezelfde mensen met dezelfde vragen. Zoveel exotisme blijft er niet meer over. Het alternatief is in een open deur gaan staan om bij 100 kilometer per uur verse diesellucht en inspiratie op te snuiven.

Nia, 4 kinderen verzorgen en het huis op orde houden : één miljoen per maand

Eentje sprong er gisteren uit: een sjieke dame met twee gewichtige zonen en twee dochtertjes, met ertussenin een schuw meisje. Nia is de naam, quasi ongeletterd en bereid op te lossen tussen het kinderbraaksel. Haar functie : vierentwintiguurs-nanny; haar wedde : één miljoen, per maand. Roepies wel te verstaan, goed voor wel 80 euro, kost en inwoon inbegrepen. Het kind waarvoor ze zorgt, speelt met ipad2. Maar het beeld ervan oogt tweeledig niet goed.

Vandaag geen tristesse op de Indonesische gezichten: iedereen blij met de zonderlinge Westerling, die er eigenlijk bijna niet meer toe komt goeie beelden te maken. En dat is hun schuld : iedereen wil dolgraag op de foto en daarna moet ik telkens weer poseren voor lokale mobiele telefoons van niet al te puistige jeugd. Waar gaan wij naartoe?

Naar Yogjakarta dus, waar ik alweer twee meisjes ontmoet. Eén oude bekende, in het Viaviacafé, Tiaz, het hartelijkste mensje van 1,45 meter ter wereld en je vindt haar verhaal op bimesa.wordpress.com.

En dan een onbekende juffrouw die in het avondschemer dolende eenzame mannen zit op te wachten. Ze wrijft op mijn armen en ik vermoed dat ze voor ongeveer (maar negocieerbaar) 500.000 roepies één of andere tropische ziekte wil uitwisselen. Ik bedank voor zoveel wrijving in mijn bestaan.

Ik tel mijn dagen af. Ik lees flarden van Dirk Lauwaerts fotografische oprispingen. Misschien krijg ik nog de tijd om een persoonlijke documentaire-dna te verwekken. Daar wil ik wel een half miljoen voor geven. Roepies welteverstaan. En als ik daarvoor een anonieme Indonesiër moet laten asfalt ruiken…. alles voor de kunst.

Semarang-Surabaya.

Ik verlaat mijn industrieel hotel, waar zelfs gehoofddoekte dames tot een gat in de nacht verstaanbaar liefdesamok maken. Ik beleef hun emoties doorheen de dunne wanden van dit complex. Leuk, die diepzinnige kant van de Islam – ik zet de airco wat harder.

Ook netelig, matig omschreven en ingewikkeld is het complex van de fotograaf op Java.

Hij weet immers te veel : exotische prenten van lachende kinderen-met-snottebellen, stapels plastic-afval, triestige behuizingen en zowat alles dat een Westerling doet fotograferen, hoeven niet meer. Creativiteit is nu aan de orde, zoekend niet naar die ene originele invalshoek, maar naar weerbarstige beelden. Die beelden die in geen beeldenbox thuishoren en waarvan men ontgoocheld zal zeggen dat ze “speciaal” zijn, of misschien wel “kunst”.

Dagelijks loop ik de toeristische highlights straal voorbij, tot verwondering van mijn gids. De brave man (doelbewust aan gezinsplanning gedaan) mag mij iedere ochtend naar het station begeleiden, zet zich ostentatief naast mijn fototas en bougeert niet meer. Intussen doorkruis ik de trein, zet mij neer bij eenzame zielen, en luister naar Indonesische verhalen. De mensen zijn een vleesgeworden facebook-pagina : Children how many, is this your hobby, are you married, how long in Indonesia; Mannekens Pis en Anderlecht, are you alone…?  Als een overdosis privacy-verbreking dreigt, zet ik mij in een hoekje, met een boekje van Dirk Lauwaert.

Ik lees zijn pleidooi voor het “goed zichtbare, zelfstandige beeld, dat niet belast wordt met andere beelden en teksten”. Een betoog tegen “inkleuringen” en voor “grijzen”, voor een beeld dat gekadreerd wordt bij de opname en niet achteraf, voor een foto als echt origineel werk. “Het legt de fotografie de onredelijke last op van een autonomie die ze niet waarmaakt”.

Niet alleen het gewieg van de treinstellen maakt mij licht beneveld, maar zoveel kernachtig geestesvermogen schudt mijn opvattingen ook heel ferm aan het wankelen.

Ik toon beelden en gooi mij vervolgens in het nachtleven van Surabaya. Morgenochtend vertrekt de trein om 7h30.

Small capitals, please.

Bandung.

Maandagochtend in de vroegte. Een mens neemt dan wel eens een trein naar Bandung, om vervolgens een goeie acht uur te wachten op een volgend spoorvehikel naar Cirebon. De luxe om dit niet erg te vinden, meer zelfs, om er van te genieten is weinigen gegeven. Ik wacht op het perron bij een toch wel strenge hitte, babbel met de mensen (“mie lietel iengliesj”) en vergeet doelbewust wat te fotograferen. Ik laat de onwezenlijke realiteit wat op mij inwerken.

Hoe kan je hier tot beelden komen, die niet beantwoorden aan het verwachte exotisme?

Uiteraard zijn er de kinderen met de grijpende blik, de Javaanse juffers die de grote blanke man oogspleetsgewijs in de gaten houden en iedereen die wat roepies wil, kent de standaardzin “Mister, how are you?”. Diepzinnige antwoorden blijven uit wegens “mie ook lietel Indonesisch”.

Beelden maken. Ik ben het stadium van de aangrijpende verwondering al voorbij, al word ik daartoe soms verleid, door niet alleen schoonheid. In de hang naar roepies krijg ik zelfs een afgekankerde penis te zien (“foto, foto”) of deze ochtend nog, een jochie vond het stoer om van een voorbijrijdende trein op het perron te springen. Ik dacht dat zijn hersenen tussen het plaveisel verspreid lagen, maar neen, het waren maar stukken kledij en wat bloedkleurige gsm-onderdelen. (foto, foto).

Ik laat deze uiting van verregaande realiteitszin voorbijgaan. Ik wacht op meer of toch, op anders.

Op straffe van een waar en objectief reisverslag te maken, overdenk ik de term “travelogue”. Op reis zijn zonder afgeschermd doel, in een echte zoekende dialoog met mezelf. Wat doet dit flanerend verblijf met een mens? Behalve gebrek aan wijn, chocolade en enige vorm van eetlust., misschien de ongewilde gewaarwording dat ik me hier niet “onthuis” voel, alsof dit een repetitief weekendverblijf is.

Ik bewerk wat beeldjes en besef dat het meer verrassende beeldmateriaal meer, veel meer tijd zal vergen. Ik bedoel niet de verwerking ervan, maar de creatie, het alerte scheppen door de beeldenmaker.

Intussen blijk ik uiterst gefocust op die grappige “mie lietel iengliesj”-instructies. Met van die pretoogjes sommeerde de baliejuffrouw mij de fiche in te vullen in “small capitals”. Mijn concept van hoofdletters moet ik dringend herzien; er is een Indonesische variant opgedoken in Semarang.

Morgen bij gratie van het internet en insomnia meer van dit traagzaam avontuur in “small capitals”.

@home : ik zal vermagerd zijn.

Zaterdag en zondag, Kerstkermis.

Kerstmis editie 2011 is nu discutabele familiegeschiedschrijving : welke getrouwde en gezonde vent van 49, mét een gezin en met afbetalingen, wenst nu in zijn eentje wat losjes te “vieren” op 10000 voet, in een Boeing 777 streepje cijfers ? Met als enige verstrooiing de eindeloze melodietjes van Carole King, Neil Diamond, Bob Dylan en andere overjaarse zoet- en zuurpruimen? Gelukkig zijn er de rijpere glimlachsmurfjes van KLM, die in alles Hollands blijven. Geen tastbare kerstattentie dus vanwege de Noorderburen.

kuala lumpur

kuala lumpur airport, 20 minuten benen strekken

kuala lumpur bye bye

Vele uren onderweg naar Jakarta, Java, waar als het goed is, ik maandagochtend op een trein spring.

Druppelend van transpiratie en regen (31°C) en met een lichaamswachter (Penny”) naast mij. Voor één keer zal ik een man niet afschudden. Maar goed voor de inspiratie zal hij toch niet zijn.

Nuttig zijn de momenten in de KLM-cabine ook als je teksten van fotocriticus Dirk Lauwaert leest.

Zekerheid omtrent de ware roeping van de fotograaf ontglipt je binnen de kortste verzen. De man schrijft niet “uit passie voor beelden, maar afstandelijk en relativerend, de fotografie van buitenuit gezien. Oei.

Hij ontmeestert de standaardfotograaf als de man die niet ziet, de realiteit niet kan temmen en deze niet “tot een leesbaar beeld kan dresseren”. Oei bis. Wijlen Erik Eelbode doet er nog wat bijtend zuur bovenop: een doorsnee-fotograaf doet in feite niets meer dan beelden maken die puur schatplichtig zijn aan de wetten van de plastische kunsten. Oei tris.

Mijn Indonesische opdracht luidt evenwel vrij simpel : maak die beelden, die geen klakkeloze projectie zijn van mijn manipulatie en stel je de vragen in hoeverre mijn bemeesteren van het onderwerp mag gaan?…

Kerstmis, in mijn restaurant. 400 plaatsen vrij te kiezen.

En route de chemin de fer.

ABVV !

Alles behalve verhalen vertellen. Dit, algemene bedrijvers van de versneden vertelling, heb ik selectief onthouden uit gesprekken met tutoren en studenten.

Natuurlijk zijn er de zondagnamiddag-blogjes waar je alles op kwijt kan, gaande van spuwsel op vakbondsbazen tot heiligschennis van de vak-ikonen van de journalistieke fotodocumentaire. Ik vond op http://pascaldigital.blogspot.com/2009/11/dag-810-091104-woensdag.html  toch wel een onversneden analyse van het werk van Michiel Hendryckx. Ik citeer de auteur :

Hendryckx grijpt, met het hem kenmerkende, al bij al zeer burgerlijke m’enfoutisme, terug naar de klassieke, en zeer trefzekere, esthetische standaarden (jaja, niet toevallig die standaarden). Hij centreert, symmetreert, calibreert, geometriseert en parallelliseert dat het een lieve lust is. Hij maitriseert. Beheerst. Ratio troef in deze composities. Nergens een wankele wanklank, nergens een beeld dat doet duizelen, nergens chaos. Salontafelbeelden. Alles mooi in evenwicht.

Een blogberichtje is iets, maar erger is als deze analyse, losmakelijk van webtalk, ook verkondigd wordt als hedendaags credo in documentaire fotografie.

Mijn geheugen is sedert gisteren gebrandmerkt met een uitspraak: “Ik haat documentaire fotografie”. Behalve staking van treinmeesters overvalt mij op dat moment een staking van gedachten.

“Ik haat documentaire fotografie”. Al dan niet met uitroepteken. Deze doordachte “slip of mind -“ verdient uiteraard wat context. Documentaire fotografie kan op veel inkleuringen rekenen. Er is vooreerst het “passé”- kenmerk van de opgeleide vakman, die vanuit zijn conventionele standaarden mooie beelden aflevert. Gejuich alom, op publieke banken, maar niet van op de margelijnen van de connaisseurs. Kenners van hedendaagse kunne – ik spreek al vanaf Stieglitz tot heden – kijken dwars doorheen het “verhaal” en zijn voorspelbare kenmerken. Kenners van nu zoeken wat Paul Strand een eeuw geleden omschreef als “het levende element, het plus”. De invulling ervan is een gevoel, een “state of mind”, een uitvloeisel van een vrije manier van leven. “Je moet objectiviteit gebruiken en controleren via de fotografie, omdat je niet kan ontwijken of verbloemen door het gebruik van onfotografische methodes”, liet hij ons nog na.

Visueel betekent dit dat fotografen aan vaag-diepe gedachten onderworpen zijn en als -en slechts als- zij nog fotograferen, krijg ik, als toeschouwer, vrij banale beelden te zien, waaraan onscherpe gedachten multimediaal en repetitief gehaakt worden.

Met deze spannende gevoelens zit ik maandag op een trein in Java. Alles behalve verhalen vertellen, is het dwingende devies van mensen-met-overzicht.

Zowaar een hinderlijk gevoel voor wie vrijelijk het beeld wil zien ontstaan. Inhoudelijke bekommernissen, omfloerste beeldcodetaal : het zal voor een ander moment zijn, ergens tussen vrieskou en de eerste bloesems.

Valt het op dat teveel gedachten de beelden in de weg staan? Uitroepteken.

Mag ik bij wijze van afscheid verblijden met mijn hoogsteigen, objectiverend kataractkaartje?

Intussen in de Roeselaarse Academie….

Walker Evans, in gesprek met Leslie George Katz, in 1971.

K: En denkt u dat de nieuwe verbeterde apparatuur van enig nut is om met fotografie iets te doen?

E: Neen, helemaal niet. Je moet in staat zijn om de camera te laten doen wat jij wil, op een instinctieve en competente manier.

(Uit “Bibliotheek van de Fotografie”, uitgave van het Nederlands fotomuseum en FOMU Antwerpen)

Een beeld zegt meer (leugens) dan duizend woorden.

Vandaag heeft een fotograaf een trein genomen.

Leuk die overvolle stations, iedereen goedgemutst, kerstluim tussen de fluimen op het perron.

De monitoren in het Noordstation hebben de vertragingen gewist; langs de sporen is suicide vandaag geen optie.

Ik denk aan de meisjes van de Aarschotstraat. Vanuit het raam, elke dag opnieuw treinen spotten en aan overhaaste reizigers ruitentikkend duidelijk maken dat ze het zicht op de sporen hinderen. Kijken is het oudste beroep ter wereld en treinen kijken is een specialisatie, voor ouderen.

Hoe zou het nog met de Javaanse treinen zijn? Twee volle keer rusteloos slapen en ik zal het je misschien kunnen tonen. Een ding is gewis : Javaanse spoorwagons zijn minder imaginair dan Belgische treinstellen op een doordeweekse dag die dicht aansluit op een weekend. Zou de ontegenzeggelijk salonrode Rudy, die leeuw voor één dag, ook voor de doorsnee Jan Vaan en zijn oudedagvoorziening iets betekenen?

Eén fluim voor Rudy, hij bemachtigt mijn ergernis, voor eeuwig.

Een echte waarheid.

met open vizier en sluiter de tunnel in.

Ik vertrek dus. En ik kom wellicht terug met een uitgebreide beeldscore.

Ik vertrek met één onweerstaanbare drang : nieuwsgierigheid, 9 dagen in een Javaans railbiotoop. “Nieuwgierigheid”, omdat 1/ dit een routineuse fotograaf gaande houdt en 2/ om voyeurisme te ontluisterend klinkt. En 3/, omdat een verlichte mens uit Gent, Michiel Hendryckx, dit nog steeds op zijn zestigste verkondigt. “Asjeblief, wees nieuwsgierig”, orakelde hij in De Standaard van 19 september 2009. Voor een dolende mens kan dit een gezonde leidraad zijn.

Indien ik de komende tijden niet beroofd word, lees jij mijn avonturen met de NMJS.

Die van de Belgische evenknie lonen sedert vandaag niet meer.

Leve de lege stationsstoep en de –roker.

Intussen in de SASK, te Roeselare, amusement.

A trainy, arty day.

Nieuwe woorden uit de regenpijp persen : het is weer dolle pret op het toetsenbord.

En dan prentjes maken, om die woorden lijf en leden te geven. Fotograaf zijn, het is behoorlijk bekoorlijk.

Terzake.

Het schuldgevoel bij het verzetten van alweer bergen gedachten, zonder mijn hondstrouwe virtuele vrienden in te lichten, overwint vandaag.

Ik raak aan en ik meld, op onchronologische wijze.

1. Het mij aangename woord “corporeality”. Zijnde “van, tot, afstralend uit het lichaam” of iets in die zin. Ik las het op Larry Fink’s site. (De wat overjaarse beatnik-fotograaf die New Yorkse party’s afschuimde en spelenderwijs toch wel de gevoeglijke beelden vatte.)

Fink spreekt van “het drama van het menselijke vlees” en brengt het uiteraard in direct verband met zijn studiegezellin Diane Arbus en hun gezamenlijke tutor Lisette Model.

“Corporeal”, ik moet het onthouden als mijn woordenschat en mijn beeldtaal alweer in onmin gaan leven.

2. Gedachten kunnen ook bergen werk baren. Even dacht ik dat actuele documentaire fotografie zich in de poel van een National Geographic – docudrama kon wentelen. Documentaire foto’s met een vooraf gekozen leidraad, rekwisieten, een geplande tijdsspanne, inclusief de verrassingen. De enige documentaire fotografen die tot op vandaag hierin slagen, werken bij Story, werken met BV’s en werken op mijn zenuwen, wachtend bij de kapster. Ik laat het je ontdekken, maar niet vandaag.

3. Werken ook wel helemaal ten goede : de bochten van de realiteit. Ik heb de laatste uren en eeuwen geleerd de werkelijkheid te accepteren, visueel te interpreteren, boodschapperigheid te ontwijken en verwonderd te zijn dat dit al zoveel eerder duidelijk gemaakt werd door figuren als Paul Strand. De man zei in 1923 : “Kijk naar dit alles. Zoek er de betekenis van voor jou; assimileer wat je kan en ontdoe je van de rest. Kijk bovenal naar de dingen om je heen, de onmiddellijke wereld rondom jou.” Tja, ook dit klinkt schoolmeesterlijk.

4. Rutger Kopland, de dichter van “jonge sla”, zegt

“Er is nog zo veel dat ongezegd is”.

Ik vraag mij af :

“Geldt dat ook voor beeldtaal?”

Zal ik maar gewoon fotograafje zijn?

Of iets adellijks, nutteloos, maar niet op de wijze van Laurent, de teventemmer.

In de ban van de (newton)ring (op gescande polaroids).

Bij ontstentenis van ander speeltuig valt de flaneur-fotograaf terug op de hedendaagse versie van polaroid. “Instax” heet het speeltje en het spelen is een geldverslindende acteerprestatie. Geldvretend spreekt voor zich; acterend presteren, om de lachwekkende daad van het fotograferen voor de medemens te verbergen. Een gediplomeerd fotograaf met een instant-toy… en weet je, hij kijkt zelfs niet door de zoeker.

Maar ik hou van die beeldjes : ze vertonen iets kinderlijks van een prille analoge beleving. Maar door mijn leeftijd genereer ik toch maar lekker “gelaagdheid”.

En de vage esthetiek ervan is zo formaat-gebonden, dat ik er zo waar nostalgisch van word. Om het met Paul Strand te zeggen: “ze zijn eerlijk, direct en soms bezield met een schoonheid, hoe onbedoeld ook.”

Ook nostalgie, maar dan op internationaal niveau is het geanimeerde stripverhaal van Ryan Larkins, Walking (1968, 05’).  Dr. Pascal Lefevre, een zeer gestoffeerde en gehaaste prof, gaf mij terloops de vergulde tip :

http://www.youtube.com/watch?v=KpE_ETl0S58.

Eindelijk kan ik aan mensen duidelijk maken wat ik binnenkort, tussen Kerst en Nieuwjaar, op Javaanse sporen zal opsporen.

Nog nostalgie, maar dan gedateerd in 1933, is de uitspraak van Raoul Haussman, dadaïst van het eerste uur en zelfverklaarde uitvinder van de fotomontage.

“De ervaring leert ons dat vrijwel geen enkele fotograaf ook maar enig benul heeft van de meest fundamentele artistieke kwesties. Het kadreren van een beeld, het begeleiden van de blik van de kijker, de relatie tussen ruimte en vorm: voor de meeste fotografen zijn het slechts lege concepten.”

Bijna 50 en ik moet her-denken. Ik ken er tallozen, die zichzelf al jaren bevredigen in het zuchten naar brugpensioen en het verzamelen van fondsen. Intussen leer ik er op los en ontdek ik fragmentarisch wat zich al jaren opdrong.

“Het lot omvormen tot bewustzijn”. Proberen (zonder googlen). En intussen fotograferen, zonder omzien, de realiteit verankeren in beelden.

stoeien met beelden in SASK Roeselare

Beeldjeleen.


You don’t take a photograph. 

You ask, quietly, to borrow it.

Brussel, onderweg.

Flaneren à la Flamande.

Vandaag Bernard Plossu’s boeken ter hand genomen. Mens, is dat een beeldbeest, een fotograaf die niet bestudeert, maar kijkt en ziet.

Stilte en leegte en alles wat dit kan vullen.

Volledig in lijn met Barthès, die zegt: “een fotografisch beeld is een boodschap zonder code”.

Dat moet ik morgen aan mijn cursisten verkopen.

Intussen fotografeer ik, kijkend, binnen een flaneerstraal van mijn woonst. Net als Plossu’s werk : ontdaan van de pure anekdotiek, het literaire en het verheven onderwerp. Met een techniek die niet meer bezwaart. Een bevrijding.