Luc Dewaele, dagboek

Over fotografie en leven.

Month: October, 2011

Geef af (op) dat smoel.

“Ons leven is vol beelden, maar waar liggen de verbanden?”

De vraag staat gesteld op de site van Noorderlicht, het Noord-Nederlandse foto-collectief dat jaarlijks, in september, voor een indringende expo-manifestatie zorgt in afwisselend Groningen en Leeuwarden.

De vraag achtervolgt mij persoonlijk. Een antwoord vinden zou meteen betekenen dat ik zou weten welk heilig doel mijn beelden dienen. De beelden die ik zelf maak, als “geste” en als vulling voor de uithoeken van harde schijven.

Natuurlijk besef ik wel dat de vraag “waar liggen de verbanden…?” gericht is op een wetenschappelijke en artistieke vertelling, maar laat mij maar de vrijheid dit persoonlijk in te vullen. Op een kladje, meer is het niet.

Izegem, palliativement la morte...

Roeselare, Izegem, Zoutenaaie : het puilt uit van de beelden. Zelfs als ik er niet verder kom dan een havencafé’tje of een marktterras in oktober, komen de beelden stormenderhand op mij af. Er zijn de chrysanten, het geroep, het kraam met de brandende wonderdweil, maar er zijn bovenal de mensen. Dé mensen, die ik aanspreek met dit wondertuig in de hand : de fotocamera, de loper die alle deuren opent, de passe-partout waar elke lelijkerd beeldig in past, het opstapje naar vele werelden.

Geen kapitein.

November 2012 wenkt.

Gewillige dochter

Tanja, drinkt alleen, en alleen Kriek. Heeft één zus.

“Verbanden”. Mag het gewoon verklaard worden, als een zoeken naar verhalen en individüen met een smoel, binnensluipen in hun bestaan en letterlijk op hun huid zitten?

Méér is het echt niet, de reflex van de fotograaf met de meetzoekercamera. Hij ziet de mensen gewoon graag. Maar dat maakt hem niet minder dief.

Geen provencaalse markt in Izegem.

De wegwijzerweek.

Voor mij stopt het op een zondagavond, net voor het laatste weekendwijntje. En het herbegint steevast op maandagochtend. “Het”, dat is het equivalent van “werken”, plus –in mijn geval- “het zich laten bewegwijzeren”.

“Werken” kan nog geduid en geduld worden, als simpel routineus bezig zijn. Maar het bonus-malus-gevoel van een eigengereide upgrade laat zich niet routinematig vangen. Nooit.

Mijn “upgrade” dus. Ik suf mij te pletter naar enig beter woord, desnoods een Frans synoniem.  “Grade élévé” klinkt niet en “vergrading” heeft iets schraals in zich. Laat ons het dus maar houden op een uitgebreide nascholing voor een late veertiger.

De vraag was : "hoe kom ik tot slechte smaak?" Na wat gehannes werd de vraag teruggeketst.

Maandag, scholing in Lightroom. Voor een voormalig darkroom-adept uiteraard een makkie, een kwestie van orde en logica houden in een stapel beelden. Overgeleverd door een man –Piet Van Den Eynde – , die ironiegewijs zelf geschoold werd in het bastion van orde en logica, de Harelbeekse Academie. Maar hij heeft zich naderhand prima hersteld, bijgespijkerd. Piet, met “more than words” zal ik je niet bedanken; de factuur is immers al betaald.

Bedankt voor al weer 4 uitputtende maandagavonden; mijn cursisten kunnen er maar wel bij varen.

Dinsdag, upgrade 2 komma zero.

Ontmoeting met Geert Goiris, de tutor in mijn “verscholing” tot master. Vijf luttele minuten in de bib met Geert Goiris en een mens weet perfect waarom hij, zelfs rijper zijnde, wekelijks de schoolbanken van Sint Lukas Brussel frequenteert. Een stortvloed van stimuli : ken je die? En die, en die…? De boekwerken van Paul Graham, Jim Goldberg, Tierney Gearon, Max Pam,..vliegen mij om de oren. Mijn onwetendheid siert mij geenszins. “Concerning the pain of others” (Susan Sontag) wordt een automutilant gegeven.

Goiris’ aanpak is kraakhelder en rustig. Ik keer zwaar onder de indruk en de boeken spoorslags terug naar Vlaanderen. Brandstof genoeg.

Lemagny en Fleig : man, man, man.

Woensdag. Ik raak Franse verlichte geesten aan. Lemagny en Fleig. Geestelijke zelfverlynching, door de diepe gedachten van Fransen, met problemen. Problemen omtrent de ambiguïteit in de fotografie. Kijken naar foto’s is er niet meer bij; praten over documentaire concepten – the picture versus l’image – des te meer. Zichzelf bevragend, contemplatief, de démarche van de theoreticus. Wie ligt er op woensdagnacht wakker en vraagt zich af: “wat met de naïeve vreugde over het creëren van een gewoon goed beeld, ook wel “fotograferen” genaamd?” Ik slaap in, november wenkt.

Een donderdag als een ander. Mijn trouwe reisgenoot op de trein naar Brussel heeft er een gezwelletje bij gekregen. Ik wil maar zeggen dat ik een zonnekapje gekocht heb voor mijn fuji’tje. Of het zal helpen om betere beelden te maken, vrees ik. Maar ik ben tenminste content.

Een content koppeltje in wording. (Maar ze weten het nog niet...)

“Content”, een Engelstalig begrip waarmee op donderdag gesabeld kan worden. Onder meer met Nina, mijn “française next door”, of liever “next bench”, in de Sint Lukas klas. “Of ze even “s’essoufflaient” en “postiche et pastiche” kan vertalen…?”

Geen eenvoudige vragen en ik volhard in de nederigheid. “Seule l’humilité est supportable”, hoor ik nog declameren.

Ik rep mij naar de trein. Tijd en goesting om te fotograferen zijn niet te bekennen, ook niet in de Aarschotstraat. Op één haar na zit ik trouwens op de verkeerde trein, naar Harelbeke dan nog…. Van een deviatie gesproken.

Op vrijdag neem ik een verdwijnmoment in een word-document. Ik en mijn pluchen stormram, wij zetten ons pal op het probleem van “vanishing point”, een handige tool in Photoshop. Speciaal voor de doorworstelaars van deze blog, wat praktijkstuff, tegen hoofdpijn.

bucht moet weg

Neem een beeld met een storende BMW. Met de oprisping “zijn er andere?”, rond de mondhoeken, kopiëren wij de grondlaag. Een bmw verwijderen is immers zalig destructief.

Ga naar filter – perspectiefpunt. Trek het bronvlak, tot je blauw ziet en breidt het nu uit tot over het te verwijderen beelddeel. Kloneer. Et voilà, een plaspauze werk. Alweer een probleem minder.

Tot slot even een sneer naar Jean-Claude Lemagny en zijn afgodelingen, vanwege een “photographaire” : “le vrai défi, c’est vraiment faire des images, créer. D’abord photographier et puis…. On verra. Du verbe “voir”.”

Profitez!

Morgen, zaterdag. Ik zal fotograferen, ik voel het. Net als vorige week. Kom, laat ons vrolijk zijn; het weekend en de wijn staan al klaar. De liefde en de chrysanten ook.

Vue de ma chambre claire.

Ware vatbaarheid voor verhalen.

Lichtelijk gedwongen door schoolse verplichtingen ben ik op een zonnige zondag op een tekst over het werk van Geert Goiris (http://www.geertgoiris.info) gestoten. Tot voor kort kende ik de man niet en dus vergt de kennismaking enig uitpluiswerk. Beide reflexen verklaren teveel omtrent mijzelf, maar mijn karakter is tenminste goed.

Ik ontdek een artikel van Koen Sels. Klassieke uitspraken over fotografie, zo weggeplukt uit Sontags “over fotografie”, worden geponeerd. In de trant van “het beeld is niet de werkelijkheid zelf, maar het representeert en documenteert haar wel”. En dan de bevinding dat dit niet toepasbaar is op het werk van Goiris, is een opluchting. (Te meer omdat de definitieve dingen “over fotografie” – in tegenstelling tot Susan Sontag zelf, illustrerend voor mijn schitterend karakter – nooit echt ten einde zijn.)

Terzake, ik ontdek dat je beelden niet als de zichtbare werkelijkheid op zich kan bekijken, maar als het toonmoment van menselijke aanwezigheid in die werkelijkheid.

Een invulling, waarbij de fotograaf de “vertellementer” is, hij die fabuleert over de werkelijkheid, die bezielt, subjectief ordent en selecteert. Of, tenminste, de fotograaf in de rol van verleider, die karakterongestoorde mensen hun fabels ontfutselt.

Zijn wij dan niet allen fotograaf, zo ééntje met een mobieltje van een lens voorzien tot en met de beeldexpressie-adept?

Ik denk oprecht van wel.

A charge en à décharge enkele beeldjes, gisteren genomen uit de Roeselaarse realiteit. De realiteit van een landbouwschool op zaterdag, in de hartklep van de provinciestad.

Als fotograferen écht fabeltjes vertellen is, profiterend van het kenmerk de foto’s slechts de oppervlakte betasten, dan ben ik goed op weg.

Nog twee ontdekkingen die je zelf kan verkennen : www.kermisstraat60.be en zowaar een beeldbeest pur sang : www.maxfarago.net

Je ziet maar.

 

 

Te gast in een zachtaardig egoland.

Mooi toch, dat ontwapenende Franse taaltje uit Lotharingen. Ingebet in de innemende persoonlijkheid van Eric Poitevin, voelt een mens zich à la minute geborgen in zijn wereldje. Een wereldje in Longuyon, omringd door daguerrotypiën en fraaie nostalgie.

Ik was er maar eventjes en vind dit sindsdien eeuwig spijtig. De man vertelde over zijn inspiratie, zijn drijfveren, de sierpluimen op zijn portfolio. Zachtmoedig en ook voor Duitsers en Amerikanen verstaanbaar. (Terzijde, ik geloof nooit dat hij op Hongaar Sarkozy zal stemmen- zij spreken echt een andere taal.)

En dan de beelden. Gekoesterd als relikwieën (zijn woorden). In zijn betoog herkende ik vele reflexen en bedenkingen, die ik in mijn parcours ook even tot de mijne mocht rekenen. Tot één of andere boosaardige kunstenaar of onbeeldende fotocriticus deze neersabelde. Een gevoel van eenzame Alice in pijnbankenland blijft intussen.

Ik heb de mens nog vele vragen te stellen. Misschien doe ik dat wel. Zo in de trant van : ”Monsieur Poitevin, waarom zijn uw prints op het zo gegeerde barietpapier zo grijs en donker?” Juist, die prints van de oudstrijders? Niets is er fris wit… Of pissiger: “waarom die nostalgie naar het klassieke papier, de klassieke optische bank-benadering, als deze technische gronden mist?” (“Technische gronden”, daarmee bedoel ik dat de actuele techniek, bijvoorbeeld in papierkeuze en printing, perfecte imitatie van een barietprint aankan. En pak mij niet niet op de woordkeuze “imitatie”.)

Soms besluipt mij het weerstaanbare gevoel dat een nostalgisch werkveld zijn eigen grondwetten heeft en zich hooghartig afsluit van wat de buitenwereld biedt. Een soort eigengereidheid, die emotioneel en stom-blind-doof, zichzelf in stand houdt. Maar dit is uiteraard maar een gevoel, een onooglijk jeukpuistje dat blijft etteren, tot in lengte van dagen. Tijdens de uiteenzetting van Eric nam ik enkele beeldjes. Géén wereldbeelden, want daarvoor was de tijd te kort, de gène te groot  en het licht echt te tegen. Op de terugweg kon ik niet weerstaan –ondanks geen tijd en geen inspirerend licht- om vanuit camionette-perspectief mijzelf wat te stofferen en te overtuigen dat ik werkelijk eventjes maar, in het wereldje van Eric Poitevin was.

au secours!

En dan kwam ik plots aan. In Roeselare, waar het licht wél goed zat. Al valt daarmee géén “commerce” te doen. Je kan er wel je egoland mee bezeilen.

De les na Aarsman Hans.

Verwondering heeft een prijs: die van de gezaaide twijfel. Daarom een beetje antidotum, in de vorm van concrete verwondering. Het soort dat opbrengt of dat toch lijkt te doen. Omdat het technisch is en ogenblikkelijk bruikbaar. En misschien daarom meer volk zal plezieren.

Je weet dat ik ontzettend ontvettend wil werken. Zo met een cameraatje waarvan de passanten zich afvragen waarom ik nog niet digitaal werk. En of ik dat dan ook nog beroepsmatig doe? De vraag schouderschokkend laten stellen duidt nadrukkelijk op een imagoprobleem.  Eén waarvan een mens glimlachend wakker ligt, na alweer teveel wijn.

En content dat ik ben bij zoveel ontlasting; “ge kunt het u niet inbeelden”. Net zo min, als je je kan inbeelden wat zo’n speeltje kan.

Vannacht dus een ontdekking voor de wereld.

Men lope rond in de provinciestad bij uitstek, met zijn toestelletje met een vaste groothoek. Voor de kenners: het equivalent van 28mm.

Je meet het licht op het belangrijkste deel van je toekomstig panoramisch onderwerp en houdt dat vast. Voor de kenners : kies M en stel diafragma en sluitertijd in.

Vervolgens kieze men één vaste plek en draaie men zijn torso in alle richtingen, naar boven en naar onder, telkens klikkend op een iets andere plek in het onderwerp.

panozicht op bridge

(onderste foto's tellen niet...)

Men bekome enige beelden die men al dan niet ietwat bewerkt in Camera Raw (bijvoorbeeld lenscorrectie) en vervolgens vanuit Bridge – extra – photoshop – photomerge laat bemeesteren. Automatisch wel te verstaan.

Het wonder voltrekt zich : een compleet gelaagde panofoto in psd. Kan het nog dummiër?

heaven's beauty

Gepakt door Aarsman (met weifelende dank aan Ronny Bruneel)

Ik heb geen vrienden in de kunstwereld. Want ik wil niet als man gepakt worden. Voor mijn gangbare omgang is “gepakt worden” geen retournerende belevenis. Ik zou het zelfs een zeldzame “beklijvenis” noemen, maar het woord bestaat nu eenmaal niet. Nooit.

Erger: gepakt worden door een Nederlander. Ex-fotograaf en nu tekstenschrijver. Het doet vaselineloos zeer, omdat ik nooit geloofd heb in “gepakt worden door een Nederlandse ex-fotograaf”, ook wel Aarsman genaamd.

Ik beken : ik was nooit fan van zijn werk : het leek zeer klasseerbaar, banaal, alledaags en een flauwe aanfluiting van wat échte fotografie is. Of “was”, als ik fotocritici wil geloven.

Ik moet mijn mening deels herzien en vooral teksten lezen. Omdat ik er in de weggooi-praktijk van alledag zo veel in herken.

Ook ik ben op een kruispunt beland, noem het een “kluispunt”, een moment waarop je dingen, ook wel “zekerheden” genaamd opsluit, veilig, ter bewaring (voor later) en waarop je andere onzekerheden lost. Zoals duivenjongen voor de allereerste keer, vanuit Noyon. Wegjagend uit het zekere cocon van het kot.

Ik citeer zijn tekst en ik beken: ik heb zijn tekst “Niemand kan het”, niet op katholieke wijze “overgetijpt”, maar gewoon “ge-unlocked”. Het weze mij éénmalig vergeven. Ik zal het nooit meer doen. Maar deze ene keer is heirkracht, of “herenkracht”, om in Aarsmanspelling te blijven. Zoiets als ontoerekeningsbaar zijn onder onweerstaanbare drang. Advocaten en Jezuïeten, één strijd dus.

Het citaat van “Niemand kan het”. Geloof mij, ik doe dit niet gaarne. Maar het moet, omwille van de volledigheid. En ik weet dat geen kat dit leest. Cartier-Bresson is dood en Michiel Hendryckx is ook al zestig.

“Maar ik kan hem wel laten zien, mijn cameraatje.

Dat is zo handig van foto’s, ze laten je dingen zien. Gewoon recht van voren, boem. Zie je nog

eens wat.

Dat is niet met alle foto’s zo, dat ze je dingen laten zien. Eigenlijk is het met de meeste foto’s

andersom. Die proberen juist niet te laten zien hoe de dingen eruit zien. Die proberen de boel een

beetje op te leuken, die willen een mooi plaatje zijn. Was een mooi plaatje nou makkelijker, dan

begreep ik het wel. Maar opleuken is juist erg moeilijk. Opleuken is een dagtaak. Het hele vak van

fotograaf gaat daar zo’n beetje aan op.

Een standpunt waarop je de minder leuke dingen niet ziet, vind dat maar. Je zoekt je een ongeluk,

zo leuk is de wereld niet. Is zo’n standpunt niet te vinden dan wordt het wachten. Minder leuke

dingen kunnen soms bewegen, je wacht tot ze uit beeld zijn. Of je wacht tot ze in de schaduw

staan. Een beetje tegenlicht doet wonderen, zie je de helft niet. En dan het juiste moment

afdrukken, hè, waarop alles samenvalt. Het geheel moet ook nog kloppen.

Maar ik begon me steeds meer te schamen. Dat huichelen, verdoezelen van wat je ziet. Waarom

niet pats boem, zo is het, ik stond erbij en ik keek ernaar?”

Waarom is het leven zo simpel, als je in Nederland leeft?

Intussen maak ik wel beeldjes, met de verstaanbare vergissingen. Buiten, felle zon, 400iso en correctie op plus één. Maar mijn toestelletje is zo vergevingsgezind…ik denk dat ik het laat dopen. Katholiek. In Westvleteren of in Brugge, het maakt niet uit. Het is water-spat-onbestendig”.  Een ongeluk bij veel ongeluk.

Weekbode Blues 1 (micro-cosmos)

Weekbode Blues (beetje macro-cosmos)

Het wordt tijd voor een alternatief boek over een provincienest.

Een vraag vol beklijfenis.

Stel dat het woord “beklijfenis” bestaat : wat stel je je erbij voor?

Stel dat een vraag bestaat, zo ééntje over bijvoorbeeld een beeldje : welke woordkeuze hanteer je? Een pittig –isme, met gekruide namen die alleen jij kent.

Ik hou het bij “gewoon graag fotograferen”. Haar voor de oren, één oog wijd open en zwijgen. Gewild en verplicht. Om “wablief” op zeggen op elke vraag van wie geen beelden maakt. En die de smaak van een interessant beeld slechts chemisch beloert.

Oh ja, zo maar een gedachte die mij een slordige vierentwintig uur achtervolgt. Morgen schud ik ze af.

modelleerling of modelering : wat is het?

“Sh”, nieuw element ontdekt te Brussel, om 11h43.

Reasons to be cheerful, to be angry, to be happy.

Redenen om een ware gevoelsvloed van “woest” over “dankbaar” tot “weltevree” emotieloos te weerstaan. Een fundamenteel nieuw element “Sh” is ontstaan, of tenminste toch ontsproten uit de mond van een duidelijk geïnspireerde Christenmens. “Sh”, het is chemie, het element heeft het allemaal in zich : een Freudiaanse verspreking, een krachtig stopwoord, fundering voor eigen glorie. Aanvankelijk stotterig en met gène ontsnapt uit een wijdse kritische gedachte, gevolgd door korte, eerlijke schaamte en vervolgens vrijwillig toegepast op het brede werkveld.

“Sh”, dus. Een concreet, verwacht element in het beproeven van vele vormen van fotografie. Toegegeven, “Sh” is zeer herkenbaar in de beeldenstroom van alledag. “Sh”, soms zelfs met een lichte verontwaardiging uitgesproken bij het ervaren van kwaliteit bij fotografische producenten. Maar toegespitst op documentaire foto’s van Vivian Maier, en bij uitbreiding alle klassiek-leesbare, a-conceptuele vormen van fotografie, shit, nee, on-acceptabel.

Ik heb geleerd vandaag. Veel. Vooroordelen die toch niet waar blijken. Bijvoorbeeld: niet alle Françaises spreken schabouwelijk Engels, of, alle West-Vlamingen hebben grote moeites in het ontdekken van zichzelf. Nog geleerd op school vandaag: lastige vragen voor beeldende mensen. Een voorbeeld: “Wat zijn de parameters in je fotografische research?” En: “wat is de drive in dit project, waarin deconstructivisme centraal staat?” Shit, ten tweeden male.

De impact van het Sh-element is heftig maar kortstondig. Mendeljev onwaardig. En overigens vrij onbruikbaar bij uitdieping naar het werkveld van alledag. En beledigend met betrekking tot een duiding van het klassieke oeuvre en tot de verwachtingen van vele toehoorders. Het weze zo.

Wat niet zo weze is een ongefundeerde kwinkslag. “Meneer D., je beelden respecteren de waardigheid van je model niet.” Reasons to be….. kies maar, maar vraag niet naar het waarom. Laat het Sh-element echter onaangeroerd. Het besmet, het leidt af van de queste naar echte beeldanalyse-criteria. Het blokt af, het ontwijkt elke vorm van sereen en genuanceerd nadenken over beelden. In feite, het Sh-gebruik is geënt op  het retorisch talent van een VB-fractieleider. Goed gevonden en getimed, maar overigens niet bruikbaar. Voor niets.

Ik moet dringend Marion Poussier checken. En kiezen voor zelfinspectie. En mijn fotoprojecten niet laten afhangen van wat “de wereld” aanbiedt, maar die wereld zelf beïnvloeden, bepalen, naar mijn hand zetten. Het wordt boeiend.

Meanwhile, I’ll keep on making pictures. Fuji x100, love you. Shoot!

First shoot

Second shoot

Third shoot

Fourth shoot

Fifth shoot

Final shot

Het prentenkabinet van Groningen.

Groningen zien en sterven. Ergens doet het mij denken aan een wegglijdend Italiaans stadje. Al zijn de mensen er veel vriendelijker en de koffie er enigszins betaalbaarder dan in art-disney-land Venetië.

Kunst dus, daar draaide het om in de Noordnederlandse provinciestad, fotokunst. Veel beelden, veel bekijks, veel prenten. Een bijna fatale dosis van alles wat fotografie steeds boeiender maakt – puur persoonlijk werk – en bovendien een open uitnodiging om zelf aan de ontspanknop te gaan.

Persoonlijk werk, het edele streven van elk kunst-coïterend mens. Wars van academisch evenwicht, intuïtief, open-minded, nonchalant, soms met te veel blabla omkaderd. Maar bijwijlen ontroerend echt-gemeend-oprecht.

De werkwijze : een open blik, en, richtend met licht oorlogstuig, ronduit babbelend met Groninger figuren, tuig en anderen. Een beetje een vernieuwde levenswijze, met een weekend als testcase.

In een lokaal fotoschooltje

Beelden dus. In een onbewaakt moment heb ik mij even afgezonderd, om mij onder wolven te begeven. Ik dacht even aan Michael Wolf, wiens affichebeeld ik in een Groninger Compression parodieer. Mag het even, verre Noorderburen?

Waaarom zijn goeie beelden zo gemakkelijk na te bootsen?

Daarna een lange processie langs de exposities. Veel onscherpte, donkerte, minimum informatief beeldgebruik. Genieten dus, omdat wij dat ook kunnen – wat overstraling op de bovenrand van een zwart blad, en twee witte streepjes TL-licht op een zwart blad.

Absolute dieptegrens in de overigens knappe Gallerij Anderwereld : Van Fleteren, foto’s van … van wat feitelijk? Van het fixeerbad dat nog wat zouten over heeft voor Friese zichten? Van een docu-soap fotograaf, wiens oeuvre stikt in nodeloze herhalingen? Het palet van wat al jaren stoornissen genereert? Hopend op een berekenende advokaat, die zijn kunstminnaarschap, in een ingelijste wolk, etaleert?

Gezocht : advokaat die een beeldige wolk wil kopen.

Laat maar.

Laat mij maar lopen.

Liefst in Groningen. Laat.

En dan bij dage, overnachten bij Vivian Maier. Meer asjeblief.

kramikkig panorama, een beetje zoals het origineel.

Groningen, een doordeweekse zondagnamiddag.

De doorregende jeugd op een terrasje. Mijn toy-kodak, om in de high tech-geest te blijven, laat mij niet in de steek. Met een quasi lege batterij registreert ie nog meer dan ik al voorzag : mijn verregaande onbeschoftheid tegenover smorende jonkies. Een melkspoorstrip op de bovenlip, de voorspelbare verveling tussen deze prille zielen, en regen, heel veel regen. Ik hou van Groningen, zonder afkoelingsverschijnselen.

Orthodontisch verslag volgt.

Blijven stelen.

Brussel op vrijdag. Moslims letten even niet op. Ik pak ze.

bestolen!

Mani pulite. Finito il lavoro.

hou van die dief. (reclame-slogan-suggestie voor fuji 100)

Ik heb een beeld gemaakt, vanuit een spoorwegbeddingsperspectief op aarde.

Per ongeluk zonder toestemming op dat moment, in een langgerokken ademtocht van Brussel naar Lichtervelde.

Misschien is ze nu wel boos en zoekt ze een grote steen, in een rivier, op aarde. Om te verleggen, in de omgeving van mijn private bedding. Ik hoop van niet, maar mijn vrees is licht ontvlambaar.

mani analogiche

Haar handen waren al besmeurd, met een zwart goedje, een restant van een dagje vrij grafieken. En dat zoiets plezant is, meneer.

Het aangenaam gesprek evolueerde naar de echte dingen des levens. Analoog fotograferen en zo. En dat zoiets plezant is, meneer.

Toen stokte de plaisanterie in mijn geest en arriveerde ik in Lichtervelde en stapten wij af, elk zijns weegs. Ik had het digiloge discours niet gewonnen maar wel iets waardevols gepikt. Een beeld, veel beelden, met een prutsig speeltje gemaakt.

Die prenten : ze zijn zo mooi, juffrouw. Hopelijk ben je nu niet bozer. Anders neem ik op donderdag wel een latere trein of een veel vroegere of een andere. Het tijdstip van aankomst is toch volatiel, een beetje zoals fotograferen met een fuji 100 (of hoe heet zo’n ding?).

ook prenten van venten....

Ik ben dus een toy-addict geworden. Beperkt maar voor het volle pond gecharmeerd.

Geen gesjouw meer, geen geshow meer. Gedaan met labeur, het geschut zit onomhuld in een broekzak. (Leden van “the Pataya Flying Club” gaan dit verkeerd opvatten).

Dankzij mijn chipgestuurd c&a-cameratje ben ik overigens een echte gentleman geworden, gedistingueerd, zonder reflectiepanelen of infraroodgestuurde flitsers. Het echte ding des levens, in beelden gesnapt. Of is het “gesnopen”?

kleine date.

En over beelden gesproken; ik kom nog even terug op mijn netelig gesprek met bovenstaande jongedame. Het soort steekspelletje, waarbij je bij het afsluiten van de dagtaak méér dan alleen vuile vingers hebt. Je voelt je berakeld in je ratio. En dus antwoord ik maar met een nog grotere autoriteit.

“The ultimate wisdom of the photographic image is to say, ‘There is the surface. Now think – or rather feel, intuit – what is beyond it, what the reality must be like if it looks that way. ‘Photographs, which cannot themselves explain anything, are inexhaustible invitations to deduction, speculation, and fantasy… The very muteness of what is, hypothetically, comprehensible in photographs is what constitutes their attraction and provocativeness. “

date op het perron

Deduction, speculation and fantasy. Brussel, ik kom. Lichtervelde, ik ga.

verkeerd gelopen date op het perron

fantasie à la nmbéjaise

Lichtervelde, ik ga

Lichtervelde, ik loop

Mijn mystieke maten.

Het recreatief karakter van de fotografie – een bonus bovenop de weinig opbeurende eigenschappen ervan – maakt gelukkig.

Maten om in te vullen.

Eén : Het model met of zonder poesje geniet –in het zicht van de camera- ten volle van het doorbreken van het uitgestippelde recreatie-traject van elke weekenddag. Er is de kroeg, de bazin, het weer en de huisbeesten en –gasten. En verder is er weinig of niets, dat enig perspectief op uitbreken biedt. Misschien een malheur, tengevolge van onschatbaar alcoholgebruik of een suïcidale sprong richting kanaal? Feit is , de verhalen worden steevast gekruid en verklaard vanuit het noodlot en de gepresteerde uren aan de toog. En nu, eindelijk en onverhoopt, zijn er dan ook de fotografen aanbeland. Eindelijk een onvergoten vorm van recreatie.

Twee : de fotograaf, het wezen dat er niet alleen van geniet om zijn eigen technische kennis en zijn sociaal weefsel overboord te gooien, maar er eveneens naar streeft om de roemruchte beeldbuddies van het vak te imiteren. Een recreatieve bezigheid. Simpelweg omdat de fotograaf minnekozend, met een paar muisklikken, meesterwerken van Vlaamse fotojournalistiek creëert. Kenners besnuisteren nu onderstaande printscreen; niet-kenners hebben een aha-erlebnis en alle overigen bekruipt nu een verlies aan geloof in de goede smaak. Ontluistering werkt recreatief.

Zich vermaken en fotograferen, het gaat samen, zoals een haan met een bevrucht ei. Het ene heeft een poot in het andere.

Maar mijn ultieme recreatie situeert zich toch in de buurt van gezeten engelen. Niet ten gevolge van een valpartij, maar op eenvoudig verzoek van een recreant.

modellentemmers (onzichtbaar) aan het werk