Parbleu, un photographe Sacré.

by lucas dewaele

Gent is gekend. Voor termijnen waarin telkens die ene fotograaf er een visueel alleenrecht laat gelden. Gent trekt keizerskinderen aan, elke eeuw opnieuw.

Gent is ook een stad van ingewortelden : even terugkijken naar een tijd die nog niet helemaal overgewaaid is, streelt de illusie dat er ooit wel eens iets niet verdwijnt.

Het STAM, Gents voor “stadsmuseum”, behoedt de lokalen voor vergetelheid.

De Bijloke, het is er nieuwmodisch, sereen, verrassend flaneren. Ik mag er graag stranden. En zeker op dit tijdsstip. Nu Edmond Sacré ook zijn verast duitje in het citymarketing-zakje kan doen.

Er is dus een tentoonstelling van wijlen de man en wijlen zijn biotoop.

“Edmond Sacré, portret van een stad”.

Zo nietszeggend en lullig een opschrift kan zijn, zo betekenend is de architectuur van de tentoonstelling. Guy Châtel en Kris Coremans, de bedenkers kunnen bekoren, met hun “tentoonstellingskabinetten”, in de kloosterkamers.  Ongracieus glooiende spaanderweefselplaten in het binnenwerk van het klooster, uitgelijnd en functioneel ons aller patrimonium behoedend. Schouwmantels, witgekalkte muren, de abdijgeesten : zij komen ongeschonden uit de ingrepen van het expoduo. Het okeren licht geeft de constructie wel een tijdelijk werf-karakter : het mosterdkleur waarin de beelden figureren vind ik niet behaaglijk. Maar dit is à titre personnel, uiteraard. Van mosterd gesproken : Ik verwijs naar het werk van Hermann Maier Neustadt, indertijd in het Waregemse Be Part. (ISBN 90 7736241 X) De man construeerde ook zijn eigen cocon in het gegeven omhulsel, al keerde hij de ruimte ook wel binnenstebuiten.

 

Ik vraag mij af : zou een spiritueel grijskleurige constructie niet duurder geoogd hebben? Geelbruin is alleen in een Provencaalse saunahut op zijn plek.

En dan de foto’s. Als Gent-onkundige, als uitboorling, heb ik het grote voordeel van niet gecharmeerd te zijn door stadsgebonden romantiek. Gevoelens van ‘oh, herken je dat?’ of “Allez, als dat mijn betovergrootoom niet zou zijn, dan…”

Ik word dus niet geplaagd door enig nostalgisch verlangen.

Gelukkig maar. De beelden zijn zo koeltjes op één lijntje inschatbaar. Ik kan ze zien als loutere documenten van een tijdperk en van een loopbaan, die de expobouwers nogal vastberaden opsplitsten. Kunst, toren, gebouwen… Gevoelsgewijs weet ik dat die indeling klopt; ik hoef de beelden helemaal niet in een artistiek of poëtisch licht te zien. Sacré is parbleu gewoon een succesvol vakfotograaf uit een vervlogen tijd.

Ik lees in de persmap : “Zijn foto’s zijn niet snel en wild, maar traag en bedachtzaam. Zijn portretten zijn als stillevens. Zijn stadsbeelden tonen lege straten en pleinen. Sacré legt in zijn foto’s de Grote Geschiedenis vast, liever dan de dagelijkse beslommeringen.

Dit is een portret van een stad zonder de ruis van het alledaagse leven.”

Dichterlijk en verleidelijk geschreven, maar wat koopt een niet-Gentenaar hiervoor?

Ik ontleed dit met een West-Vlaams breekijzer : Citymarketeers hebben geoordeeld dat de relieken van deze ziel best eens opgevist konden worden; de hang naar herkenbare links uit het verleden verleidt, zet ticketeers aan het werk, en dwingt technisch oningewijden tot dichterlijke gewaarwordingen.

De cassante wil tot opdelen – bij curator en expo-ontwerpers – is overigens zeer ad rem en onpoëtisch : Sacré kan het best geconsumeerd worden in zijn voorspelbare vorm. Al word ik als onstedelijk buitenstaander door de foto’s an sich niet echt warm, en al helemaal niet door de noodzakelijk geachte verbinding met hedendaagse beeldexcrementen. (die ongelukkig groot, gelukkig buiten de intieme ruimtes geweerd worden).

Winters warm word ik niet : nu niet, nooit niet, met de eeuwig opduikende Keyzerspinguïns in de buurt. Parblue.