Lucas Dewaele, dagboek

Over fotografie en leven.

Tag: Maarten Vanvolsem

Onderweg naar 1000, een mille-paal (tussen heilige huisjes).

20131209_dagboek_DSF8328

Trein-reis-tijd-ver-drijf en een afdracht aan vormen van vergetelheid : dit was de oorspronkelijke toon van dit beeldkantwerkje. Wat begon als halve opmaat in een onderzoek naar ‘beeldtaal’ , halverwege september 2011, evolueerde, ontdeed zich vol van ruwe basten. ‘Research’ heet dit ceremonieus. De analyse van een blanke kiem – oprechte leergierigheid – die aanwaste tot een quasi dagelijks bezinksel van gedachten en vooral van beelden. En soms van amper ingehouden gram met gewicht. Het klonk niet te allen tijde als muziek in expertenoren – ik pleit ronduit schuldig. Maar ik prijs mezelf voornamelijk gelukkig dat de ingeslopen episodes van uitgemaakte woede niets meer dan driftige tussendoortjes waren; de personen waarop mijn woorden sloegen, hebben hun plaatsen volkomen verdiend verdiend, iets dat zo waar op een dubbele doorslag lijkt dus. De onbewogen conclusie luidt : het Belgische kunstondermaanse is er op maat van ‘men’. En voelt bovendien aan als schijnbaar gepolierd beton : bij uitstek de koude teelgrond waar men én intellectueel én als belazeraar kan overleven en waar ‘men’ , althans onder het deken van een diepkerkerlijke structuur, zich opwarmt aan een verplicht nummertje maatschappelijke ‘dédain’. Jammer dat het jonge mensen de ziel kost, in ruil voor wat binnenkerkelijke roem. (Ik wist niet dat contextblindheid zo ver kon reiken, maar wellicht leed ik er indertijd zelf aan.)

De bagagerekfunctie van de Kunstmedia.

De bagagerekfunctie van de Kunstmedia.

Ik gebruik gaarne het onbenadruke voornaamwoord ‘men’, omdat het consequent de anonimiteit en het verhullen van eigenschappen duidt. Na bijna duizend berichtjes alhier, concludeer ik alweer : ‘men’ staat nog steeds in de weg van fotografen – frisse beeldenmakers – die onverzadigd rondkijken en die, tuk op beeldstukjes, boeken maken. Boeken met beelden die niet belust zijn op daglicht of op kranteninkt of op plakkaten langs snelwegen. Niemand ziet ze, niemand beroert ze. Ze wachten volstrekt op een koppel ogen en op gangbare zintuigen. Ze vertrouwen op niets meer. Leg de nadruk op het woord naar keuze.zonder-wortel

A priori stel ik nog: het Latijnse kapsel rond de beelden is een bevallig gevolg van deze onbruikbaarheid. Hecht er geen belang aan, een behanger moet ergens heen met lijmresten. Dat meen ik oprecht : het beeld in het gesloten boek bevrijdt zijn maker van woorden en gedachten en stemmen en honger naar Weekend-Knack-roem. Een flâneur-fotograaf kan echt vrij zijn; een kunstenaar misschien ook. Al twijfel ik meer dan ooit tevoren aan dit laatste. (Het woord ‘artistiek’ lijkt meer en meer een vermengsel van ‘spiritueel’ en ‘economisch’, in wisselende verhoudingen en netwerkjes.)

Artistiek Momentum (geen import).

Artistiek Momentum

Ik schrijf dit tekstje om vele redenen. Eén ervan is dat schrijven op zich een nagenoeg verslavende bezigheid is. Te vergelijken met het lezen van de A4’tjes van Bernard Dewulf in De Standaard. Het is geen werk, het is als een verlangen naar en het bijna proeven van onbetaalbare wijn. Schrijven is oplettend zijn, open voor feitelijkheden, kritisch voor het eigen denkkader; woorden op papier zetten, met een puntgom wissen en uitgeslapen tegen de kwart-waarheden optornen. Schrijven is bruusk invullen wat men in half-affe zinnen niet wenst te communiceren. Schrijven over kunstigheden is het dwingend in vraag stellen van wildcard-kaarten voor kunstconcours en –subsidieregelingen. Schrijven is beter fotograferen. Of draai het gewoon om. Het is een vorm van leeglopen. In al zijn betekenissen. Verslavend en niet altijd opbeurend; het gladde weerwoord ‘kankeraar’, met al zijn connotaties, is de functionele platitude, die ware dimensies doet vergeten. Vandaar dat ik tussentijds achterover leun en woorden en gedachten laat uitbollen. (In tegenstelling tot mijn echte verslaving : beelden maken).

Andere redenen om met woorden te schermen zijn minder tegensprekelijk.  Er zijn de reacties zonder gewicht en er zijn uitspraken die om een wederwoord smeken. Beide hebben bestaansrecht en ik ben auteurs van allerlei kunne dan ook dankbaar. Zij versterken en ontkrachten mijn denklimieten. Zij wijzen meedogenloos op een gebrekkige samenhang en zij maken mee de context voor de verwondering. Mijn verwondering.

E-mail : jovanstee@tiscali.be

E-mail : jovanstee@tiscali.be

Nog redenen? Misschien van pedagogische aard, zelfhulp-geïnspireerde schimpscheutjes, de goesting om zomaar een sneer uit te delen, zichzelf even samen te vatten als voorwinterse keuring, revanche-intenties te sacraliseren, het éénmansgelijk te benoemen. Alles kan. En zeker via dit medium. Waar woorden en beelden hooguit voor wat dagbederf kunnen zorgen.

Nog even over mijn verwondering. De ‘verwondering’ die ik als enig standvastig criterium om over beelden te spreken, hanteer. De verwondering die ik zelf als praktiserend fotograaf ervaar én de verwondering die ik, eenvoudig en koppig zijnde gelovige, niet loslaat. Ik wil graag de ‘verwondering’, waaruit mijn beelden ontstaan, onbevangen en blijvend benutten, besteden en uitoefenen. Als een inschikkelijke kracht om met het medium ‘fotografie’ aanwijzingen te maken.  Verbanden aan te tonen, bewijslast te vergaren of gewoon vanop een scheidslijn te rapporteren. Mensen, die ik eerder als ‘men’ aanduidde, noemen dit ‘irrelevant, oppervlakkig, zonder impact’. Ik houd van deze woorden. Ik hou ze, op een klein vergelend papiertje, in een klein lijstje, binnen handbereik. Ik heb ze gestolen, ontfutseld aan een bokkige baliebediende van een kunstschool; ze knipte deze kleutergewijs-recht uit, uit een juryrapport. Wie ooit – bij wijze van opeising- binnenbreekt in mijn werkruimte, zal deze ingekaderde woorden nooit waardevol genoeg achten om mee te nemen. Maar voor mij werken ze een als een ouderwetse dynamo : draai er aan en elders komt er energie vrij, in een vorm die soms verrast, verwondert.20131210_dagboek_DSF8423

Mijn bijna-duizendste relaas is een kennisgeving tussen de negenhonderdnegenennegentigste en de duizend-en-eerste. Niets markants dus, maar – voor mijzelf – toch wel weer een eigenaardigheidje erbij. De boeken hou ik niet bij. Geen cijfers, geen statistieken, geen bangigheid om uit of in de boot te vallen.  Geestdrift is mijn onstuimig en onbeschut deel. ‘Men’ is er onblij mee.

Koppigaard.

20131209_dagboek_DSF8295

De lumificatie in de Belgische fotografie.

Een illusie: de beproefde vervalsers in de Belgische fotografie zijn ontmaskerd, de vertakte vervalsingen zijn getoucheerd, de makersnamen zijn bekend, hun daden ontluisterd. Tijd voor het sacrament van het oprechte beeld. Dat van de ongebonden fotograaf wiens vaardigheid  niet onderhorig is aan netwerken en academische broedstaketsels.

Na het verkennen van mijn eigen zuurtegraadgrens, is de tijd rijp en de geest uitgeziekt om de basiskwaliteiten van een beeld te ontdekken. Natuurlijk blijven de uitgeschudde ‘techniek’ en het immer geldende ijkpunt ‘verwondering’  onafgeschreven. Beide staan overeind in elke vorm van gezwatel over deze of gene beeldbedrijvigheid.

Over techniek : zowat elke fotoclubliefhebber is quasi exclusief op zoek naar het ultieme techniekje, enerzijds om kritiek terzake te voorkomen en anderzijds om vormen van bewondering op te wekken. Wie het handig aanpakt kan die egards in de tijd rekken: een exotisch reepje software dat één of ander effectje genereert, blijft tot net voor de demystificatie van zijn status tot gemeengoed, mateloze bewondering opwekken. Met internet tot in de ijskelder echter blijft het een ware opgave voor een fotoamateur om zijn techniekjes verborgen te blijven houden. Net zoals een hengelaar zijn lokaas in de luwte van de kanaalberm mengelt, net zo blijven fotoclubleden hun recepten in de donkere kamers samenstellen. Vaak blijkt een opeenhoping van Photoshopfilters, met een variërende doorlaatbaarheid de ware aard van deze kunstigheden te bewijzen. Nog net ontdekt in mijn beeldwereldje is het plug-in-assortiment van Nik Software. Wat voor een zondags fotografistje een waar festijn is aan ‘creatieve’ mogelijkheden (lees : je zal indruk maken) is wat mij betreft een grabbelton vol ironie-wekkende techniekjes. Leuk is het om een actueel beeldje van het kunstdorp Gits terug te catapulteren naar de 50’er jaren, met een vintage-knopje. En kijk, er reden zelfs al electrische bietentreinen langs het met zonnepanelen overgoten landschap. Of amusant is het verdrijf om het werk van Nick Ervinck te situeren in het naoorlogse Roeselare. Ik bedoel alleen maar: een techniekje kan vervalsingsdrang dermate stimuleren, dat de perfectie van de gereedsschapkist zelfs een eenzame spelbederver verwart.

Sedert de publicatie en herdruk van Sontags ‘On Photography’, weten wij allen dat fotografen liegen en vervalsen. Henricus Antonius van Meegeren – Han, voor de vrienden, ruste in iets dat op vrede lijkt – was een gekend criticus van toenmalig actuele kunstkenners. Als schilder kwam hij ver van de bak te staan; de critici ridiculiseerden zijn werk. Hij haalde zijn gram door op de muren van hun expertise zoetjes in te beuken: hij vervalste de schilderijen van de Meesters technisch-meesterlijk. En wachtte geduldig op de reactie van de kenners. Die onthulde dat experten ook maar bête, misleidbare mensen zijn.

Fotografen zijn a priori gekende misleiders, structurele veelplegers. Hun techniekjes, hun verbondenheid met voorvalletjes, hun hang naar verduisterde schermen: het is geen geheim. Fotografen vervalsen geen geschiedschrijving: ze nemen ons gewoon mee op een loopje met de wereld, hun wereld, het hier en nu. En gebruiken daarvoor speciale handigheidjes. De reeds vermelde photoshop-like laagjes, in vele gradaties en granulaties, maar ook wel de techniekjes van weglating (van context), afdrukken op het ongelukkige moment (voor het model), het spelen met de patroonherkennende vermogens van de kijker. Nick Ut en Jeroen Bosch, wij houden ze nauwelijks uit elkaar. Al werkt de ene al in kleur.

Tussentijds concluderend schrijf ik dat een blik op zeer binair-gebonden technieken (Photoshop, Nik, Lightroom,…) en op het bewustzijn van de vakgebonden misleiding (de realiteit is terug te brengen tot de beleving van de fotograaf) voor de kijkende kijker een licht kunnen werpen op het beeld. Het beeld zoals het zich aandient in zijn meest kwetsbare vorm, vrij van kunstkritiek, vrij van de monoculaire kijkbuis waarin het werk van Kets, De Keyzer en geringere meesters getoond wordt.

Het sommetje makend word ik verleid om een credo te verkondigen. Dat van het beeld dat ontdaan wordt van beetnemende systeempjes. Dat zich dus als vanzelf als zwartwit vertoont. Het beeld dat ontspringt aan het oog van de vrije fotograaf die context nastreeft (geen uitgeknipte waarheid), die afdrukt op ‘volledige’ momenten en zijn werk aan een onaangetast publiek te kijk stelt. De kans is klein dat je die fotograaf ergens in een galerietje op het lijf loopt.

Een ijkpunt dat door zijn eindeloze herhaling wat deerlijk overkomt is de ‘verwondering’. De feilbare leeftijd en –wereld liggen er wezenlijk aan ten grondslag, zowel aan het gevoel van zieligheid als aan de opmerkzaamheid voor die banale dingen als licht en raar opeengemetselde constructies, waaraan men zomaar voorbij fietst.

Ik wil ‘verwondering’ graag zien in een opwekkende context. Niet als kaalplukkend gebaar op de kap van de kunstalarmisten. Gewoon ‘verwondering’ als oplichtend puzzlestukje. Zo eentje waarvan je vermoedde dat het elders, in een andere speeldoos thuishoorde of waarvan je dacht dat het per abuis tussen de ware bouwstenen verzeild was geraakt. ‘Verwondering’ blijkt, voor zo ver ik cursisten kan vertrouwen, veelal het sluitstuk van een zoektocht langs vele ‘cul-de-sacs’, stroppende zijwegels van de inspiratie. Vele wegen zijn in te slaan – ‘originaliteit op technisch vlak’ prijkt op nummer één – maar, voor wie de leertocht vol maakt, blijft de ‘verwondering’ ietwat verweesd aan de mazen hangen.

Vraag is: wat houdt de ‘verwondering’ dan in, dat het residu ervan fotografen blijvend doet fotograferen? Ik ken geen eenduidige uitkomst op deze vraag. Maar misschien zijn enkele hints ter zake bruikbaar.

Ten eerste blijkt dit criterium nauw verbonden met de daad van het fotografisch kijken zelf. Wie zich als fotograaf openstelt voor zijn leefomgeving zal wellicht niet kunnen weerstaan aan de drang om beelden te schieten, als waren het jachttrofeeën. In de zin van dat unieke herfstlicht, dat verrassende samenspel van komende en gaande schaduwen, van texturen, waarvan de ruwheid of de wiskundige regelmaat, doorheen het fotobeeld ervan, beginnen te verrassen. Natuurlijk moet je daarvoor fotograaf zijn, en met graagte een fototoestel bedienen en bereid zijn jezelf te voeden met de gretigheid van het kijken.

Ten tweede zijn er inspirerende bedenksels, analyses die je even doen schrikken omdat ze zo raak zijn. Je jachttrofeetjes worden gekrast. Door woorden, die levendig worden voor wie kijkt naar de wereld en er foto’s van maakt. De woorden van Dirk Lauwaert, Paul Strand, Cartier-Bresson en anderen die beelden op een doorzichtige wijze belichten. Een database vol kijkbrillen, op allemans sterkte. ‘De Bibliotheek van de Fotografie’ staat er bol van.

Ten derde is er de economische nutteloosheid van de ‘verwondering’; je koopt er geen doorsopt theebuiltje mee. Het ijkpunt is, romantisch verklaard, ‘de allerindividueelste expressie van de enzovoort’. Er is geen prestige aan verbonden, je kan je er geen academische graad mee oogsten, geen sympathie, een beetje ergernis mee opwekken. Verwondering is vrij: het werpt licht. En verschaft zich een sluipweg tot kleine eigenzinnige wereldjes. Veel plaats is er niet in die kleine stelsels. Maar het is er knus, of bekrompen. Een ‘sterfbedzurige beleving’, naar kenners vertellen. De experten op wiens testikels Van Meegeren het gemunt had.

Welk traject is er voor de fotograaf die noch aan technisch vernuft, noch aan zijn persoonsverweven verwondering voeling verleent? Eerlijk? Ik denk aan een éénrichtingstracé, zonder zicht op beelden.

Emile Zola is nog duidelijker : “À mon avis, vous ne pouvez pas dire que vous avez vu quelque chose à fond si vous n’en avez pas pris une photographie.”

De falsificatie in de Belgische fotografie (1).

Onlangs nog hoorde ik een zestigjarige fotojournalist op de radio de lijzige loftrompet bazuinen over de Belgische fotojournalistiek. Omtrent de ongekende luxe van het beeldmateriaal dat wij wel moeten kennen uit Vlaamse kranten en tijdschriftjes. Namen als Bieke Depoorter en Jimmy Kets en zo. Ik ken de brave man en zijn harmonieus werk te goed om ook maar één woord van dit eerbetoon te geloven; zijn onthoekte leeftijd en zijn strategisch-honingzoete gedachten verleidden de fotograaf om toch maar geen boude uitspraken te plegen. Hij weet immers, net als vele nuchteren onder de beeldmakers, dat de gehypede geniën van de actuele fotografie, vanuit netwerken opereren die zelfs quasi-gepensioneerden nog tot nut kunnen zijn. Dus waarom zou men tegen de golfslag ingaan en alle kansen op andermaal eigen glorie verkwanselen? Fotografie zit net als Kunst, in netwerken. Pascal Gielen heeft er een boekwerkje aan gewijd; ik begrijp derhalve op de wijze van de muilpeer hoe foto’s, net als culinaire vaardigheden en vele kunstuitingen vermarkt worden. Mensen, kunstenaars en andere fotografen worden in omkaderende netwerkjes gesmaakt, geraakt, gekraakt, uitgebraakt, vermaakt en af en toe (af)gemaakt. Jammer voor de voorbeeldige fotograaf M.H. uit G. dat hij de kwaliteiten van zijn eigen werk onvrijwillig ter discussie stelt. Een eigen oeuvre dat incompatibel is met huidige normen van de betere fotografie. Michiel, de dag dat jij met twaalfduizend-iso-ruis-onscherpe beeldjes maakt tijdens je zogezegd ongeorganiseerde reisjes, de nacht dat jij met lightroom-presets je grijstintenpalet weggooit, is de liefde over. Geloof me vrij: je kunt niet houden van een fraaie Hendryckx-foto, zonder toch wel kritisch de media-gestuurde gekte rond De Keyzer en Co te bekijken. Ik kan dit niet en ik wil dit niet.

Light in the room, number 37, by Mietje Stek

Light in the room, number 37, by Mietje Stek

Oogleedskow, night with clothes on, by Hie de Terpoo

Oogleedskow, night with clothes on, by Hie de Terpoo

Wat ik wel kan en wil is een wolf lichtelijk tegen de oorhaartjes in strijken. Gehaaide wolven zat trouwens in de vlechtwerkjes van onderwijsinstellingen en galerijtjes en vriendenkringetjes van musea. Plekken waar de actuele kunst vaak bepaald wordt, plekken op de ziel van wie echt van kunst-kijken wil houden. Met keurmerk ‘Sint’ of ‘Koninklijk’, het maakt weinig uit in dit kleine wereldje.

Zoals Gerrit Komrij bijvoorbeeld het scherp verwoordde. (De dichter-literator is weer in. In de Portugese pottersgrond, in de volksmond en in de mode.) Ik ontdekte een stukje van zijn meesterlijke pen in NRC.

‘Zien is uit de gratie. Zien telt niet meer mee. ‘t Kan te maken hebben met het ontzag dat de kunstenaar koestert voor het woord. ‘t Kan te maken hebben met de noodzaak om catalogi van een inleiding en kunstwerken van een bijschrift te voorzien. Kunsthistorici en museumdirecteuren moeten ook iets om handen hebben. Ze moeten mee-creëren, hun biotoop smeekt erom, al kunnen ze zelf niets. Maar babbelen en verbaal luchtfietsen en filosofietjes overschrijven kan iedereen. Daar zou het allemaal mee te maken kunnen hebben.’

De komende maanden zoek ik adrenalinegewijs naar meer ijkpunten in de fotografie. Ik besef al te goed dat mijn oubolligheid dit zoeken vaak zal inkleuren. Met naam en toenaam. Als koppige fotograaf heb ik slechts mijn beeldhonger te verliezen. Het enig netwerkje in mijn huiskring bevindt zich net boven de afvoerbuis van het aanrecht. Het functioneert overigens prima.