Lucas Dewaele, dagboek

Over fotografie en leven.

Tag: De Standaard

Professional presence.

krant-ds

(Finally a little less unfamous, part 2)

 

Professional holidays (3). My secret life unveiled.

http://www.standaard.be/cnt/DMF20150813_01816783?pid=4950883

(Finally a little less unfamous)

destandaard

De falsificatie in de Belgische fotografie (6) : over de boze wichten en aardigen.

dagboek3378LD

Een slechtkijkend iemand vroeg mij ooit, op een exquis moment: ‘Maar wat, beste man, als de verwondering, die jou doet fotograferen, blijkt weinig geëlaboreerd te zijn?’ Omdat de dame toch een vermoede sérieux aanreikte, heb ik over deze vraag lang en breed en zonder rancune nagedacht. Maanden. De raisonneuse in kwestie had gelijk, een surplus aan gelijk, om deze vraag te stellen. Wat als ‘verwondering’ inderdaad een lege doos, verpakkingspapier, verlakkerij, een stijl- en glijmiddel, een ornament blijkt te zijn? Dan moet ik deemoedig het hoofd buigen en erkennen dat de verwondering een feitelijke strategie is, om een beeld ‘verkocht’ te krijgen, of, laat mij wel wezen, misschien een povere vorm van zelfbegoocheling. Een greep in nood aan ‘inhoud’. Capitulatie in de voor- en achteruikijkspiegel. En een mispassende partout op ware blijken van gebrekkig intellect.

Ik heb deze gedachte op onorthodoxe wijze laten gisten. Namelijk door te blijven  geloven in ‘verwondering’ als in een onvalse drijfkracht om beelden te blijven maken. Een beetje op de wijze van Walker Evans : ‘Leaving aside the mysteries and the inequities of human talent, brains, taste, and reputations, the matter of art in photography may come down to this: it is the capture and projection of the delights of seeing; it is the defining of observation full and felt.’

The delights of seeing, het plezier van het zien. Het fotografisch zien, het zien met een camera in de hand, het zien én omkijken naar andermans beelden, het kijken door een optische camerazoeker, naar die nabije en onvriendelijke wereld. Het ondermaanse van lege, grijze stationsdreven bij slecht weer bijvoorbeeld, buurten waar het parochieblad in postbussen valt.

dagboek3356LD

Bij wijze van uitgelopen kanttekening ben ik ook tal van kunstkritiekjes gaan lezen – de leesbare, die je bijvoorbeeld in BV-promenadeblad De Standaard aantreft. Ik ben als niet-ingewijde de zinnen en de alinea’s gaan afstruinen, simpelweg om er de omhulsels van de woorden af te halen en kernachtige inhoud te ontdekken. Ik vond vooral een steeds wederkerend artikelpatroon. Een naam, referenties, een neo-isme, een volkse theoretische uitleg, een anekdote of twee, een objectieve vermelding van bezichtigingsuren, een persoonseigen concluderende appreciatie, een kwinkvijg, een oorslag. Meer niet, tenzij het verzwijgen. Mijn ontiegelijke honger naar ‘inhoud’, om over het tegenzeggelijke, met woorden en volzinnen te vertellen, bleef. Intact. Overgeleverd aan alweer een flinke dosis scepsis. Een Grieks synoniem voor danig boerenverstand. Of restitutie voor het geschonden bestaan. Of gewoon een populistische reflex. Vul gerust aan. Citeer uit het parochieblad desgewenst.

Ik stelde mij lezendeweg ook de vraag : waarom komt de spiritualiteit van de maker, de exposant, de actueel belichte kunstenaar toch zo weinig of niet aan bod? Niet dat een volledig moraliteitsverslag van elke artistieke netwerker dient uitgesmeerd te worden, maar toch. Dat onlichamelijke gedachtegoed, dat bepalend is voor de creatie van een kunstwerk of voor, laat mij losweg zeggen, een ‘vandalenstreek’ in één of ander Brussels kunstencentrum. Ik zit het snedig achterna. En ik snap dat ik een fundamenteel taboe aansnijd. Irritant voor parochiebladlezers.

Als evangelisch-geïnspireerd mens heb ik eens scherpzinnig gegoogled. Dat mag in mijn ongebonden kringen. Gecombineerde woorden als ‘spiritualiteit + kunst + moraliteit + kunstenaar’ en hun Engelse equivalenten. Ik vind weinig. Hier en daar wat gezwaai met Grieks-orthodoxe iconologie en een verwaaide pastoor die ook nog eens academie loopt. Een evidentie is het niet om tot het klokhuis der gekende kunstnamen en hun beschrijvers door te dringen; de afdekking naar hun concrete ego is wel heel solide afgewerkt. Een vriendelijke vraagstelling, per mail, aan befaamde mensen, wordt versmoord in stilzwijgen. Of in wat een PR-agent in zijn sjabloonbox liggen heeft: antwoorden in de trent van ‘your almost unanswerable question’ tot gewoon ‘geen tijd’.  Biografieën zouden uiteraard wel een uitkomst kunnen zijn (vooral de niet-geautoriseerde), maar bieden immanent wat perspectief in terugkaatsend licht: omtrent de spirituele geaardheid van dode kunstenaars geen kwaad woord. Het is quasi ondoenbaar om te peilen in wat ferme, nieuwerwetse kunstenaars echt bezielt, beweegt. Het vermoeden, dat geld en aanzien en netwerken puur symptomen zijn, in de kracht die een werk voortbrengt, groeit. Mijn peilen naar het onderliggende denkraam – Wessel Stoker, esthetica-prof spreekt over de ‘existentiële inhoud’ – is aan mij besteed. Aan wat ik tot op heden opraapte, beleefde ik geen genoegen en veel dédain. Ik heb te veel mensen ontmoet die een neerbuigende attitude t.o.v. deze vraag naar het spirituele segment in het kunstenaarschap, omarmden. Alsof het een vloek of een teken van domheid is, dit aan te raken.

Ik hou een dubbel gevoel aan de zelfopgelegde pelgrimage in kunstenland over. Ik heb hekel opgewekt, mensen verleid tot uitspraken als ‘ah, ik haat fotografie’. Anderen hebben beleefde beloftes gemaakt, gezworen mij beleefd te antwoorden op deze struikelpunten. Vooral huichelachtige stilte heb ik geoogst. En korte gesprekken die in no time duidelijk maakten dat er niet te stellen vraagstukken zijn. Het wereldje van Opus Artis, en bij inbreiding, van een stuk onderwijzenden, is niet gediend met het beproeven van de nucleus van het kunstlandschap. Omerta! Het schaadt. Belangen. Ga weg van ons kruispunt. De andere kant van mijn dubbel gevoel is er één van bevrijding. In mijn losvrije beleving heb ik wellicht een aantal boze wichten en aardigen mijn aanvoelen gewoon duidelijk gemaakt. Blakende, naïeve, rechttoe-rechtaan denkbeeldjes, die in de eerste plaats een bewijs van ontvoogding hard maakten. Mijn werk behoeft geen expositie, ik dien geen ‘m’as-tu vu’-tafereeltje op te voeren, geen gebrekkig afgebroken zinnen en puntjestaal te hanteren. Mijn industrietje is er ééntje van eigen vluchtige handwerkjes. Met beeldjes die mijn beroering telkens van het nulpunt optillen. Het hoeft niet altijd ‘verwondering’ te zijn : beeldjes mogen rustig op niets uitlopen. Zolang mijn makersziel maar niet verzandt, prijs ik mezelf niet ongelukkig.

dagboek3351LD

Falsificatie in de Belgische fotografie (5) : breng uw boodschap in een testikelomdraai.

Ik heb wat gewacht om over de vordering der gedachten iets op het leesscherm te plaatsen. Ik ben in weerwil van mezelf toch wat omzichtiger geworden in het kiezen van woorden, citaten, tijdstippen en het medium an sich. De rake keuring van willekeurige posts, door internetpessimist Andrew Keen, doet mij even pauzeren. In DS (22 december, c10) toont hij aan dat facebook, google en konsoorten dolgraag willen dat wij, argelozen, hen als publieke nutsvoorzieners omarmen. Gratis voor niks en dus voor elkeen het win-win-win-verhaal. Ik denk dat ik vanaf heden mijn internettypering koppel aan ons huisdier. Transanimalisme, bestaat er zoiets? (Nee, ik verzwijg het feit dat het een kattin op gevorderde leeftijd is, gesteriliseerd en hondstrouw en gedekt door een uitvaartverzekeraar).

Maar toch, nu moet het me van het voormalig katholieke hart. Mijn vader zaliger leerde mij immers dat zelfrespect nooit ofte nooit door de medemens cado gegeven wordt, ook niet onder een kerstboom. En zeker niet door de figuren die je scherp op de korrel neemt.

Onlangs woonde ik een zitting bij, een zelfbespiegeling over het soortelijk gewicht van een illustrator-fotograaf en over de deugdelijkheid van het geleidend draagvlak, zijnde de krant en aanverwante publicaties. Ik zat er bij en luisterde gewillig toe. (Ook al kreeg mijn lichaam soms vervelende tegentrekjes – en ik moet meer naar mijn lichaamstaal luisteren, zegt mijn lijfarts als maar meer.)

De zitting van de stoel en de ‘lezing’ waren slopend voor de 300 betalende toehoorders en hun initiële achting. Staandeweg en druppelsgewijs werd het zelfs voor een handvol die-hard-fans duidelijk dat uitdeinende kletspraat de wezenlijke pijler vormde in het ‘discours’ van de gladde egorijder. De brave man hield als toetje nog wat bloot materiaal achter de hand, zo rond middernacht. Maar de goesting was vervlogen.

Bij uitbreiding van dit besef kan je een benullig ijkpunt – breeduit vertelselen– zelfs toepassen op veel vormen van beeldbespreking. De Standaard was er net voor Kerst, bij monde van Dorien Knockaert alweer lichtvaardig in. Voorwaar, voorwaar, de belichte fotografe van wacht beademde zichzelf als antropologe, klein maar fijn van snit en naad. Omdat en zodat er voorspelbare beeldjes van slordige interieurs even paginabreed verschenen. Kijk, alweer is het wonder geschied: er zijn profetieën die niet alleen zichzelf vervullen; er blijken ook profeten in overvloed die ‘geloofwaardigheid’ aan de versleten definitie onderwerpen. Het oude verhaal van ‘ons’, ‘wij’, ‘maten’, ‘gij’ … De horige journalist met dienstbetoon is weer hip.

De vraag is : wat heb je als beeldmaker aan de woorden van de experten?

‘Bemossing’ is het allereerste woord dat mij zo maar te binnen schiet. Vermoedelijk bedoel ik de nood aan een extra hapje naïveteit bij het lezen en geloven van de kenners? Dat ik een extra laagje goodwill, extra respect opbreng bij hun wijze woorden? Persoonlijk is dit omkeerbaar proces in gang geschopt toen ik een voormalig fotograaf – Veronica hebbe zijn ziel – de onmiskenbare uitspraak hoorde verkondigen : ‘Ik haat fotografie’. Ik geloof deze bedenker ten gronde. Sindsdien begin ik spettergewijs te begrijpen dat fotografie door te veel mensen gekaapt is als een te braakliggend erf.  Eskimo’s over Swahili-grammatica en ik ben er in getrapt. Waarvoor sorry.

Ik ben ongemeen op mijn qui vive als fotografie-kenners spreken.

Hun taal is mijn mikpunt. En breed armgezwaai, gelinkt aan onaffe zinnen, die verklarend horen te zijn. De puntjepuntjepuntje-veronderstellingen na de uitspraken….

Contradicties zijn bijzonder in trek bij de kunstreferenten. Een ristje voorbeelden.

Ik houd van landschappen zonder mensen en -verdraaid, deze slide zit verkeerd-, daar is soms toch een mens centraal ingeslopen.

Ik verwerp het ‘instant décisif’ en maar toch wacht ik gaarne op de man die op onwettige wijze, zijn vuilbak uitkiepert in een verre achtergrond.

Neen, ‘licht’ is een non-item in mijn werk, aandacht voor schoon licht is passé, maar toch is in deze aparte foto het licht te schoon om te laten schijnen.

Jaja, het flitslicht knalt direct de kleine details van menselijke aanwezigheid te voorschijn plus: het kan zo mooi de bevreemding openbaren… (n.v.d.r., de aliënatie van de medemens die elektrische kabels vastkleeft op de vloer).

Neenee, totaal ongaarne ben ik de portretfotograaf maar toch gaat 80% van de beschikbare creativiteit naar portretten van bv’s, ba’s, bp’s, …

Natuurlijk wil ik mijn gedacht doen en ik doe het ook, maar toch: zou je de boeken niet kopen?

Absoluut respect voor het onderwerp is noodzakelijk, maar twee Amerikaanse generatiedikkerds langs de waterlijn, dat kan je toch niet laten lopen?

Iets ensceneren, dat doet een stuk of wat degelijk fotograaf toch niet, maar een reenactment van een hartverscheurend paar schoenen op een oude cafévloer is toch wel te aangrijpend.

….

Tegensprekelijkheden hebben een aandoenlijke impact op deze mens van te goede wil, maar de kunstige conclusies maken wel littekens. De loutere uitspraak dat het beeldmatig decapiteren van het model het universele karakter van het beeld bewijst, doet mij onverwijld denken aan de Bengaalse foto’s van Horst Faas. (Google deze brave Duitser – het is gratis.)

Wat heb ik alvast vandaag geleerd als het om beelden gaat en de omschrijving door hun makers of meeslepende recensenten? Eerlijk, op mijn kertstzieltje? Niets dat ik al niet wist. Maar dat is natuurlijk uitgesponnen jaloezie. Objectief gesproken kan ik een wedervraag stellen. ‘Is het beeld meer dan de sappige anekdotiek die er aan toegedicht wordt?’

Mijn bewondering gaat wel uit naar de manier waarop een fotograaf zijn onderwerp benadert. Het vloeiend invullen van het innemen van clowneske pingpongposities  in de openbare ruimte is vertederend. En verdient een waardige bijzetting in de galerie der Belgische fotografie. Hoe eerder, hoe liever. Een retrospectieve kan al wonderen verwekken en een boekje kan er altijd bij.

……

Thaise kinderen in Voormezele : wie helpt ze en hoe bewegen ze?

Thaise kinderen in Voormezele : wie helpt ze en hoe bewegen ze?

Ziel verkocht, schadeloosstelling uitgesteld.

Het is weinige koord-, poort- en woorddansers gegund om op rijpere leeftijd nog steeds ongerept te zijn. In de wereld der beeldende kunsten is dit niet anders; wie toebedeeld is met toonbeeldtalent, wordt vroeg of laat verzocht. Met de vraag om vormen van smetteloosheid zindelijk te verliezen, ten behoeve van vooral andermans aanzien en netwerkknobbels. De figuren en de behoede clowns zijn genoegzaam bekend bij de kunstenaars aan de zijlijn. Bij hen, die met hun ziel in hun zakdoek, geen prijzen ontvangen, tenzij misprijzen. Ik voel met hen mee; geen Witte Raaf die naar hen kraait of raaft.

Een tijdje geleden werd ik niet onmiskenbaar in aanraking gebracht met het openbare beeldbestel in Vlaanderen. Meer bepaald verplichtte ik mezelf tot een modus van openheid omtrent de ‘Kunst’. En dit via een instelling die menig kunstenaar gevormd heeft, Sint Lukas, het depot met de wachtrij voor aansuizend talent.

Het concept van kunstenaarschap wordt uiteraard voorbereid in dit type kunstonderwijs. Brochures en verrassende awards, genaamd naar heengegane vrienden bewijzen dat.

Er is de technische draai van de opleiding, waarbij, eigen aan onderwijs, met nostalgische weerhaakjes, nog even aan het verleden gehecht wordt, wonden en waarde en zo. Weet dat menig instituut vakvolk herbergt, dat het leeglopend verhaal van vervlogen receptuur beluiert. Zo behoudt ook een hogere kunstschool wat residu-mensen die oude techniekjes als lanceerplatform voor nieuw talent voorstellen. Geloof ze niet. Verstreken medicijnen met een vergeelde bijsluiter: het vertrouwen er in moet wel mateloos zijn. Of, ‘onwetendheid’ werkt ook niet mis. Dat weten ze.

Geen opleiding in Vlaanderen en Brussel of je wordt verblijd, in de meimaand vooral,  met hip-klinkende beloftes rond ‘persoonlijkheidsontplooiing’. Welke onzekere mens van achttien tot vijftig kan hieraan weerstaan? Geef ongerust toe: ‘één eigen, goed onderbouwd artistiek project, gebaseerd op persoonlijk onderzoek’, staat toch voor een plezante verplichting. En een uitkomst waarbij een schoot onder vruchten kreunt?

Het ont-plooien van je persoonlijkheid garandeert vooral gladheid. Eigen plooien en eigen kreukels, waarin het slib van een eigen gedachtenstroom stokt, irriteren, blokkeren. In de zielentraining, die jonge kunstenaars ondergaan, is uiteindelijk alleen ruimte voor de perfecte pasvorm die docenten vooropstellen. Het hermetische karakter van dit mechanisme is het bindmiddel tussen docent en leerling. Heilig weefsel, een pact tussen biechtvader en zondige bekeerling. Een geloofsgeding. Geloof me niet, maar kijk gewoon.

De wetenschappelijke werkzaamheid van deze inwijdingsoverdracht wordt gestaafd.

Met marketingtools (cijfers, staafdiagrammen, getuigenissen van succesvolle kunstenaars). Sint Lukas Brussel is (net als andere organisaties) een ware agentuur voor mensen, wiens éénwording met zakelijk succes, aan een beperkte openbaarheid binnen schoolmuren moet prijsgegeven worden. Lezingen, zittingen, prijsuitreikingen. Ter ontlasting van kritisch gedachtengoed, vermoed ik. Jonge mensen vinden het geruststellend fijn, als allianties als een loutere schikking van de toekomst voorgesteld worden. De prijs/award ermee verlijmd, werkt hechtend.

Ik heb een vermoeden dat er laxatief ingespeeld wordt op illusies en angsten. Door ervaren Vlamingen. Op jongemensenharten met een weelde naar verlangen. (Het werkwoord, niet het substantief.)

Ik vertrouw de vluchtige bedenkingen toe aan de focus van je ogen, lezer.

Omdat ik even ontsteld was toen ik de ‘cultuur & media-pagina’s’ van De Standaard, van 1 oktober, vanavond bij het oud papier wou leggen. Stilstand bij Sam Steverlynck, over Joëlle Tuerlinckx, in Wiels in Brussel: ‘dit is cerebrale kunst die zich zelfgenoegzaam nestelt in een waan van diepzinnigheid’. Treffender kan ik het niet duiden; ik mag het schaamteloos met mijn eigen ervaringen uitbreiden naar lezingen, lessen en academische zittingen. Dank aan deze kunstredacteur voor zoveel lef en helderheid en het tonen van zijn ongekraste ziel. (Ik word bijna verleid om namen te taggen, maar een notie van ras-catholicisme hindert mij.)

Kijken naar, denken over kunst (of het sediment van wat tijdelijk als dusdanig vermarkt wordt, gesacraliseerd atelierprut): het kan zonder krassen op je ziel. Een geruststelling, geen pose. En niets verschuldigd aan bedrevenen met gistende denkbeelden en te dikke brilglazen. Gewoon kijken, verwonderd genieten, zonder verzuring, zonder diploma, zonder dédain. De verknochte ziel is ermee verkleefd. En nog steeds horend tot mijn inboedel.