Lucas Dewaele, dagboek

Over fotografie en leven.

Dag zonder titel (geen tijd)

Alweer dag zes. Vanuit Yogja spoor ik naar Bandung, waar ik al eerder was. 7 uur op de trein, maar de tijd vliegt voorbij; ik word langs alle kanten aangevlogen. Blijkbaar heeft geen mens hier ooit een witte neger gezien…

Ik heb ontdekt wat pendeldiplomatie is. In de ene zetel zitten babbelen met Maria, van katholieken kunne, omtrent kelken en andere Belgische operaties; in de tegenoverliggende stoel zat treinbegeleidster Irna, mooi gesluierd Moslima te wezen. Zij wisselden geen woord met elkaar. Ik heb ze allebei een beetje geplaagd, met vervelende waarom-vragen omtrent het Maria-medaillon en het spannende doekje. Gniffelen met volle teugen, maar toch zijn we als vriendjes gesplit in Bandung. No hard feelings. Hoop ik, maar met meisjes weet je nooit.

Dan maar weer aan het werk. De trein is mij te klein aan het worden, Indonesische ogen minder verleidelijk en mijn reflexen ietwat minder scherp. Ik denk aan mijn fujispeeltje, de Instax. Misschien.

Vanavond 2012 gevierd in Bandung. Een schermpje met af en toe een sms’je van nieuwe Indo-vrienden, even gezellig met mijzelf gedineerd in een leeg restaurant en dan maar (noblesse oblige) het gekende nachtbestaan opgezocht. Braga-straat, met een paar karaoke-tenten, honderden brommers en eetkarren en een dieptreurig onafgewerkt winkelcentrum. Indonesiërs zijn gek, in het verkeer, in hun leefomgeving, in hun party’s, met vuurwerk, aan de rand van het zwembad, met kinderen op anderhalve meter. Maar ze zijn allemaal zo lief, meneer. Lief en gek, een combinatie om er brand-, snij- en schaafwonden bij op te lopen, respectievelijk als kind dichtbij vuurpijlen, als treinpassagier tussen twee wagons in, en als motorrijder, maar daar maalt niemand om. Hier worden meer brommelaars omvergereden dan egels en katten en kiekens te samen.

En foto’s tsjah. Ik blijf de horizon van mijn eigen vertoeven alhier afschuimen. Misschien valt daar wat rapen.

Beelden komen, wees niet ongerust; alleen is het lokale internet wat te krap voor mij. Een tekst is zowat het hoogst haalbare. Of heeft de rivierdiepe rommel ook de internetbuizen verstopt?

Rechts, rechts, rechts,….

…is een vierkanten logica die niet opgaat in Yogjakarta. Het Westerse dambordpatroon van een urbanistische planner houdt hier geen steek: je slaat straten in en in en in en de enige waarachtigheid die je bekruipt, is dat je verloren loopt. En dat op sandalenvoeten, tijdens tropische buien, in duisternis, in plassen, waarin men riksjarijders ziet plassen. Van Ostaijen kan het niet beter dichten.

Heden ochtend een trein genomen. Yogjakarta-Solo, alwaar de meest islamitische gids ooit, mij opwachtte. Pipith is de naam, de sluier verbergt elk haartje van schaamte en zij leerde mij destijds dat je een moslima nooit de hand mag schudden. Ooit leidde ze onze groep verwaaide Westersen doorheen Java, met een zo om zich heen slaand enthousiasme, dat ik echt schaamteloos verlangde haar terug te zien, met wederzijdse gevoelens. En het allereerste wat ze deed, deze middag, was…mijn handen vastpakken; ik had het nog zo gezegd. Ik zweer het: nog nooit was thee slurpen met een dame in de VIP-lougne van Solo Station zo intens gezellig. Je kan haar nog boeken – als kuise gids-, maar haast je, want ondanks haar eigen huwelijkse staat én moederschap, zoekt ze een job als “nanny”, in het buitenland. Iemand moet haar vaderlijk in bescherming nemen – it’s the economy, you darling fool. Ik waarschuw haar voor Arabische Aarschotstraten.

De fotografie. Ik weet het niet meer. Kotsgenoeg van Indonesische schonen, vuilhopen, oud rijdend metaal op de weg. Ik ben zoekende. Naar iets meer steekhoudends. Wellicht verlaat ik de esthetische route van de tropische fotograaf en sla rechts, rechts, rechts in. En maar hopen dat ik verloren loop. Alleen mijn camera kan (nog) niet tegen opspattende riksjarijdersurine.

Beelden volgen: het internet in Yogja hangt met korte eindjes aan elkaar geknoopt, it’s the technology, you old fool.