Onmin bevestigd in plusvorm: ik zie de foto’s graag.

by lucas dewaele

Ik hou van de pointes die titels oproepen bij de (ver)lezende mens. Net zoals ik hou van beelden die experten als schade- en nutteloos voorstellen. U denkt vanuit uw klassieke overweging dat ‘beelden’ lijdende voorwerpen zijn voor de vakkundigen? Of eerder dat de beelden de kenners uitdagen en hun expertise als neutrale emballage prijzen? Wat er ook van weze : beelden blijven, bewierokers en vaardige rokers vergaan. Er is nog recht op de wereld.

Wie pienter is, luistert en registreert. Ik had het voorrecht een studiejaar lang te bouwen op onvrede met mijn eigen vak; de vraag ‘wat kan een betekenisvol woord zijn bij het kijken naar foto’s?’ heeft mij opgevijzeld tot pixelzifter en uitpluizer-oude stijl. Ik heb er geen bijzondere achting aan overgehouden. Noch voor mezelf, noch voor de tenoren van de actuele smaak. West-Vlaamse signatuur, u kent het knippatroon, waarin ik wonderwel pas.

Ik speel in op een realiteit. De passage van de student, die zijn werk dient te tonen aan een publiek van gestemden, vals-, klaar-, gelijk- en ongestemden. Natuurlijk was/ben ik geprikkeld en nieuwsgierig naar reacties. Naar weerstand en weerwerk. Maar ik had/heb mijn huiswerk dubbel gemaakt, zoals een lagere scholier dat doet om zijn meester te imponeren, te plezieren of gewoon als een reflex zonder overpeinzingen. Ik heb gelezen over vrouwminnelijkheid, over Thomas Demand, over actuele beeldcultuur tout court. En o ja, ik ben zelfs Michiel Hendryckx een beetje afvallig geworden, dat klopt. Dit alles vormt een vergeefse stellingname in het stellingendispuut over beelden. In mijn jaarwerk gaat het évidemment over vage credo’s omtrent documentaire fotografie. En het evident zondigen daartegen. Paradoxen in presentatie van boeken in bakken en zo. Zoiets aanhoren doet zeer. Niet zozeer omdat het onscherpzinnig is, maar omdat het doorzichtig mijn vraagwijze omzeilt. En deze was toch : ‘zeg eens iets bruikbaars over beelden. Asjeblief, iets om op te bouwen. Iets over de bakvorm van een hoeksteen, zelfs over de leegte van de spouw.’ Maar zeg niets uit eigen opwellingen of vondsten van het moment. Niets over het dunne papier waarop Fastenaekens beeldjes afdrukt, waarvan de aanraking het ultieme genot en het keurmerk ‘ware documentaire fotografie’ bewijst. Zeg niets. Kijk neer (op de toetsen van een smartphone) of kijk neer op het squareplein. Wees wezenloos starend, door het raam, naar de veranderende stad.

Confronterende vragen daarentegen kunnen vertrappelend zijn. In die zin dat de steller aantoont dat mijn denkbeelden een kritischer analyse uitlokken . Ik haat het als mijn antwoorden niet pasklaar zijn op die momenten. Het geregistreerde ogenblik waarop mijn gedachten een mankement vertonen, verafschuw ik. Maar ik klap niet uit de school als ik schrijf ook dankbaar te zijn. Dankbaar in de eerste plaats dat iemand echt leest en vervolgens uitbrengt hoe een onminzame vraag de prikkel voor verder onderzoek oproept. (U dient te weten dat mijn research naar ijkpunten in documentaire fotografie dolde met de conventies en uitdraaide op mijn eigen dadaatje, zijnde de ‘verwondering’, als baken voor de betere beeldwerken). Wat te denken en te repliceren over de vraag naar meer academische ontleding van deze vondst? ‘Zeg mij meer over het mechanisme van de ‘verwondering’…? En hoe koppel je dit ijkpunt aan je eigen werk?’ Een driemaal welgemeende zucht tot in het laatste stukje output van mijn lichaamstaal.

Ik draag een bericht op aan L.D. Het zou aan mezelf kunnen zijn, voor de welgemanierde verstaander. Of aan de Lezer van Dienst. ‘Neen, ik laat de analyse over het eerlijke criterium ‘verwondering’  niet achterwege. Maar gun nog wat denkwerk.’ Beelden heb ik al – ik ben tenslotte fotograaf. De juiste (ant)woorden zijn blijkbaar voor ons beiden bevreemdend afwezig. En ja, wij zien de foto’s graag.

ijkpunten scriptie