Luc Dewaele, dagboek

Over fotografie en leven.

Month: March, 2013

Pro forma.

20130312_dagboek__LDW0107LD

Terra incognita.

ijsdag

Komende en gaande Beschamende Gedachten.

Typisch Hasselblad.

Cultuurpagina’s zijn inktgeworden reclamecampagnes. Radiospotjes, net voor het wereld- en voetbalnieuws, houden stand op de tegenstelling tussen prentjesmakers en kunstenaars. De stem laat er geen twijfel over bestaan : jij bent de kiekjesboer van poesjes, kinderen en versierde schotels. En: in de Belgische zenit van de fotografie is nauwelijks plaats voor 2 à 3 man, duizenden gratis ‘litho’s’ – wat waardevol toch- en één braaf meisje. Mooi verdeeld; minstens drie onvriendelijke vrouwen zullen dit vrouw-onvriendelijk vinden. Een mooi mismaakt evenwicht voor komende en gaande wichten.

‘Onbenullig, jaloers, verlamd’  : geen mens die kijkt vanuit een onbevangenheid, ontsnapt aan deze labeling. Stoutweg tegen de gangbare smaak ingaan, garandeert dit reactiepatroon vanwege gangmakers en vooral vanwege de volgers in de kunstkaravaan. In kringen sluit het negeren van oppositiestemmetjes natuurlijk ook wel een voorspelbare terugslag in. Wat had je gedacht? Echte kenners laten zich echt niet kennen, niet in de coulissen, niet in lezersbrieven. Een anonimiteit certificeert het lange gerijmde leven. De waas van expertise overleeft op een dieet van discretie, generaties lang. Ook katholieke mensen durven dit wel eens mondjesmaat ‘hypocrisie’ noemen, tegenwoordig.

Ik hoorde van mijn goede vriend Lance dat woede een gave is. Is schaarse woede dan een gebrek? Ik mag hopen van niet. Een ingekrompen woede heeft eerder te maken met een vorm van berusting , van strijdonlust. En dus ook wel van, foert, gewoon toegeven. Is het zinvol het vingertje op te steken tegen de verblinding door een stel geoliede marketing-automatoren? Neen. Maar het hoofd en de ziel buigen is natuurlijk dan weer teveel gevraagd: ik blijf passen voor de holle frases van de kunstrecensenten en de superlatieven rond wie niet uit de media te branden is. Ik doe dit met een eigen beeldtaal.

Voor mij ligt een auteurloos tekstje met of zonder belang. Over ‘gaten en holtes in een landschap’. Het verklaart wat beelden verbergen voor wie toch even stilstaat en toekijkt en – o gebrekkige schranderheid – dreigt met weggaan. Ik lees paswoorden als ‘zeer associatief werk’, ‘bevreemdend effect’, ‘mentale aantrekkingskracht’. Mooi gekopieerd en niet nutteloos in functie van een beeldbloedarmoede. Maar wat heb je eraan, als je eerlijk naar beelden kijkt? Voor mij staat nog een tekstje op het scherm. Van Birgit Speulman, over kunst, haar kunst. Behoorlijk onacademisch onderbouwd maar zo authentiek en ongelogen voor de raap.

Kunst.

Ervaringen verbeelden.
Kijken, denken, bewegen en zoeken naar het randje van de wereld.
Het landschap is mijn omgeving en bron van inspiratie. Ik graaf in mijn tuin, ik wandel in velden, bossen en steden, op asfalt, in modder en langs de zee. Ik verzamel indrukken, beelden, verschijnselen die me nieuwsgierig maken, die uitnodigen verder te kijken dan de oppervlakte.
En ik ga aan het werk. Denken, tekenen, kijken. Spanning tussen idee en uitwerking, zoeken naar een balans. Als het klaar is, wil ik het delen.

http://birgitspeulman.wordpress.com

Gedachten bungelen heen en weer tussen beide werelden : enerzijds het circuit van would-become kunstenaars, inclusief nagemaakt woordgebruik en anderzijds, het kleine gezelschap, dat ‘kunst’ omarmt als een grabbelbak van talent, techniek en blijvend zoeken. Ik laat mij aangrijpen door meneer Arie Stoteles : ‘De eerste eigenschap van stijl is helderheid’.

En als je nu vergeeft : ik haal mijn Hasselblad van onder stofhoezen en schaamteharen en heropen mijn donkere kamer. Zorg jij voor de begeleidende tekst van mijn onvruchtbare herinneringen?

Hasselblad.

Nihil desperandum.

tuin

Luctor et emergo.

20130304_lf__LDW9201

Vlaamse belevenissen langs wegenissen (4). Zondagsrust.

20130303_tzw__LDW9037 20130303_tzw__LDW9074 20130303_tzw__LDW9077 20130303_tzw__LDW9084 20130303_tzw__LDW9088

Academisch naakt.

20130309_sask__DSF0849

20130309_sask__DSF1149

20130309_sask__DSF1121

20130309_sask__DSF0981  20130309_sask__DSF0935

20130309_sask__DSF0944

Ontmoetingen van de dag.

20130308_sask__DSF0769LD-3 20130308_sask__DSF0775LD 20130308_sask__DSF0806LD-2 20130308_sask__DSF0837LD

De Kunst, van het onderwijzen.

Een vraag om te scoren.

Ik kan het nadenken niet laten. Een flard van gewild leven en roekeloos ver- en wantrouwen. En wellicht ook een reflex van een verleden in een ondubbelzinnig katholiek college, waar het bezinnen en het spelen met ideeën enkel door enkelingen aangemoedigd werden. Ik herinner mij de namen van die behartigende leraars nog levendig. In zes lange lange jaren waren zij te tellen aan de hand van een gering aantal ledematen. Anderen lijken gewoon heengegaan, vervluchtigd zonder sporen of aanwijzingen van werkzaamheden kwijt te raken. Toch niet in onze toenmalige jonge harten en zieltjes.

Vandaag denk ik dus na. En zo ver was ik reeds geraakt, in mijn simpele analyse : in het kunstwereldje waar ik even van proefde, bleek de nuttigheid van het kunstwerk op zich onmiskenbaar nietig, in een stroom van radiospotjes, academische frases, lelijke affiches en slechte wijn op vernissages. Ik was even een bevoorrechte getuige hoe zelfs eentalig dronken galeristen-in-de-frontlinie helemaal geen scrupules hadden omtrent de status van een kunstwerk als louter economisch gegeven. Objecten, gebaren en concepten gewoon in het licht van harde valuta. Misschien verwed ik er ooit een stuk eigen rancune op : er is een onderhuidse competitie gaande tussen de usual suspects in het slijten van atelierproductie, werken waarvan de evangelische waarde uitsluitend op kunstfora bepaald wordt. Als een blijde boodschap klinkt dit niet, maar het zijn wel oprechte bevindingen tot op heden.

De Prof.

Er is natuurlijk de pictografische Prof. Etienne Vermeersch, notoir ex-gelovige op vele vlakken. ‘Wat is Kunst?’ lijkt een vraag die hij even terloops zou oplossen en dat doet hij ook minzaam in zijn wetenschappelijk en rationeel universum. Structureren, a piece of cut cake voor de prof. ‘Wat is kunst, wat is schoonheid, wat kan wat redden?’ …. ik denk het enigszins omneveld te kunnen samenvatten. Er is enerzijds de fysisch-aandoende term ‘redundantie’, een op- en neergaande golf van wederkerende leidmotieven in vele uitingen van kunst. Herhaalde hoekpatronen die het individuele geheugen en de algemene codes ondersteunen, bevestigen, waarmerken. En er zijn anderzijds de innovatieve ‘informatie-insteken’, die de nieuwe inzichten van het individu verzoenen met traditie en herkenbaarheid. Of juist omfloerst bruuskeren. En er is de ware kunstenaar die het ‘optimum’ tussen beide manipulaties beheerst. De logische vraag: ‘wat is een ware kunstenaar?’ dringt zich onverwijld op.

Ik weet, ik heb een grove doch vergeeflijke denkfout gemaakt: de veronderstelling dat de ‘kunst’ van de professor ook in het (hoger) kunstonderwijs zijn verlengde authenticiteit genoot. Met andere gedachten, dat de herkenbare en inlepelbare kunst-uitspraken van de professor ook naadloos toepasbaar zouden zijn op wat in kunstinstituten gedoceerd wordt. Mijn kinderlijk koppelen van deze gedachten is nu echt wel een teken van…. redundantie op vlak van naïviteit. Of domheid, als dit concreter klinkt, voor iemand als ik, met afgepakte winstbewijzen.

Ik heb dus iets fundamenteels bijgeleerd. De vraag ‘wat is kunst’ doet in bepaalde kringen echt niet terzake. De kwestie stellen op een doorgedreven manier, is zelfs schadelijk. Tenzij uiteraard als teaser op uitlopende vernissages – om dronkemansmonologen gaande te houden- of  als camouflagenet om ongezien een vorm van economische spiritualiteit te bedrijven. Met een schijnbaar gedreven kennis van namen, feiten en relaties als glijmiddel, die de aannemelijkheid van de expert dienen te versterken en die de galerieverkoop omkaderen. Meer niet: ik kom tot de voorlopige conclusie dat ‘kunst’ (ik bedoel het object, het product) de facto niet van belang is, in gekende milieus, waarvan een doorsnee burger kan verwachten dat het juist daar een essentieel deel van de core-business zou uitmaken. En ja, ik wijs verantwoord naar kunstscholen, waar kunststudenten hun openheid begraven ten behoeve van het zeggenschap van derden.

Ik ben kwaad. Op mezelf. Omdat ik, na 20 jaar kunstonderwijs, niet eerder inzag dat ‘kunst’ geen belang heeft buiten het individu, de maker. Buiten het regime van de auteur krijgt het werk een aparte legitimiteit. Een betekenis en een belang die het verlies aan grip van de kunstenaar telkens opnieuw benadrukt. Genadeloos en zonder aantoonbare inspraak. Natuurlijk zijn tal van kunstenaars maar wat blij met het aangeboden gewicht op een presenteerschaaltje; wie wil zich niet beredderen met vermaardheid, als connaisseurs dit graag aanbieden? Misschien is de glorie van ongebonden, authentieke artiesten niet van deze wereld. Ik blijf mij onderscheiden met vele luchthartige gedachten; ik kan het niet laten. Ik blijf in het donker over de muur kijken.

Onderweg naar huis.

Meesters (*) aan het werk.

uitnodiging image007

(*) Talent bindt ons, in de brede zin.

Vivat, crescat, floreat.

kerkmiddens

De deur naar een vorm van geluk.

20130304_lf__LDW9340LD 20130304_lf__LDW9266LD

Cedo nulli : imago animi sermo est.

20130304_lf__LDW9327LD 20130305_lf__LDW9728LDLD

Met dank aan Seneca en Erasmus.

Quieta non movere.

20130304_lf__LDW9142 20130304_lf__LDW9145 20130304_lf__LDW9153 20130304_lf__LDW9156

Vlaamse belevenissen langs wegenissen (3). Zondagsrust.

20130303_tzw__LDW9027 20130303_tzw__LDW9029 20130303_tzw__LDW9031 20130303_tzw__LDW9033

Over de Kunst, van het overroepen.

Veronderstel: je hebt geluisterd en gehoord dat ‘spreken zilver’ is, ‘zwijgen goud’ en dus is ‘ontmaskeren’, wetenschappelijk geredeneerd, ‘platina’ of iets galactisch zeldzaams. Waar in dit rijtje bevindt zich het werkwoord ‘overroepen’? Welk metallisch interimwoord kan het nauwst aansluiten bij de positie van ‘overroepen’? Kwik of iets moois maar giftigs, zou ik overwegen. Ware het niet dat de illusie van de medicinale kracht van ‘kwik’ nog bij ouderen en leperen van dagen levendig kan zijn. Een ander metaal dan maar, maar bovenal eentje dat Mendeljev als oxideerbaar ontsloten heeft. Ik ga rechtuit voor nummer 38, een aardalkalimetaal van de zuiverste soort. En die goed plakt aan knikkers en zo.

Als ik door provinciesteden wandel, merk ik dat niet opperbest gaat met de hedendaagse Belgische fotografen. Goedkope affichettes met de namen van ronkende afgezanten van mijn geliefd medium, worden wijd en zijd rondgeprikt met profijtige plakband en punaises. Namen die ik herken uit inderhaast ontworpen advertenties in DS, verkoopspraatjes op Radio1 (foei, Ruth Joos) en maar net ontwaarbaar in volgeplakte onthaalruimtes van stadsdiensten. Niemand is er die zelfs met de stoute ingeving opgevrolijkt wordt, om gewoon toch maar een dergelijk plakvelletje te stelen. Als souvenir, met historisch perspectief, voor de kleinkinderen. Of korterbij, voor toiletgebruik. Ik vermoed zelfs dat de camerabewaker er enkel is om te verhinderen dat er nog soortgelijk promotiegerief bijgekleefd wordt. Of dat ook de sticker ‘camerabewaking’ zelf onder aankondigingen verdwijnt. Wie zal het zeggen? Volgens het A4’tje : de fotografen.

Vroeger ging ik steevast luisteren naar fotografen. Dat had ik al meer gedaan en geconstateerd dat het kaliber van de aankondiging de inhoud  van de ‘lezing’ of het ‘discours’ sterk oversteeg. Tot tweemaal toe had ik zelfs de diagnostische zekerheid met een pathologisch wezen te doen te hebben:  een nog onbekende kunstenaar die per se naar het voetlicht moest gepord worden. Als acte de présence of wellicht als vuurproef van inzetbaarheid in een kunstsociëteit. Om machteloos het gegniffel van studenten te ondergaan. En dan maar weer op de reservebank van de kunstkast terecht te komen.

Ik sprak eerder over de grote tenoren en, vrouw-gunstig, tenorettes. Zelfs in deze crisistijden zijn debatmakers blijkbaar niet meer bij machte een publiek te overhalen met een chique kartonnen communiqué. Hooguit met een gestencild beeldje, een zwartwit vermelding van het parochiezaaltje, een lokale zelfstandige en het tarief van 5 euro. Nomen est omen, of beter ‘nuntius est omen’. Een golvend papiertje van te weinig grammage maakt milde vooroordelen hard. Ga ik kostbare tijd offeren of luisteren naar de stem van mijn ervaring? Er is geen klasse meer, hooguit overwegend wat ge-overroep. Of hoe schreeuw je dat?

Ik ga vooral luisteren naar een voormalig katholiek, en momenteel TV-goalgetter, leeftijdsgewijs op retour, voor humanisten en schijnbaar ongebonden zinnigen. Over beeldende en andere Kunsten. De beperkt-brave man, een Jezuïet met een lange staat van emeritaat op geloofsvlak, heet Etienne Vermeersch en heeft iets professioneels gedaan. Zijn naam en zijn werkzaamheden worden steeds gehusseld. En hij komt, hij komt naar deze stad, naar een onkatholiek zaaltje, missioneren over het ‘wezen van kunst’, met de illustratieve aanpak. (Donderdag 7 maart, 19h30, Campus Tant, Hugo Verrieststraat 68 Roeselare). Ik ga, omdat ik niet gaarne meer garen spin bij het geneuzel van bekende fotografen, die (nog) niets (meer) toe te lichten hebben. Ik ga voor een ouwe roeper die niet in acht maar in één keer zijn uitgangspunt verheldert. En ik ontzeg hem tijdelijk penitentie voor de zonde van annoncerende A3’tje. Dàt is ten minste al het dubbel van een cursusblad.

Een centrale positie in het debat over het wezen van de Kunst. En de aankondigingspolitiek er rond.

Een centrale positie in het debat over het wezen van de Kunst. En de aankondigingspolitiek er rond.

http://www.filosofischetuin.be/publicaties/A3%20affiche%20lezingen%20over%20kunst.pdf