Lucas Dewaele, dagboek

Over fotografie en leven.

Tag: Sint Lukas Brussel

De falsificatie in de Belgische fotografie (3). Nil desperandum.

Het zoeken naar een artistieke identiteit – een vermoeiende en belastende ‘queeste’ – is voor veel jonge mensen, die in vormen van kunstvorming volwassener geworden zijn, een beklemmende worsteling. Enerzijds is er de creatieve drang om écht goed en oprecht werk te tonen en anderzijds is er de ingelepelde vaststelling dat er méér dan talent en werklust nodig is om ‘hét’ te maken. Voor de argeloze kunstleek: ‘hét’ is in deze zin geen aanduiding van een heus kunstwerk, maar van een status en een pose om kansen te verwerven, in het strakke weefsel van overigens anonieme leermeesters. Zeg maar om de eigen gloria en eurobuidel op te vijzelen, iets waar elk onrijp kunstenaar op hoopt. Dit ongerept belust-zijn is het wingewest van getekende gidsen (in de coulissen), om jonge zieltjes bij te spijkeren, missiematig te kneden. De meeste jonge mensen verloten hun zieltje in deze queeste. Om een zeepbel vol rook na te lopen.

Ooit hadden ze de ‘guts’ om over een schoolpoortdrempel te stappen (het rokersgordijn was hen liefelijk), om ten minste een volle vier jaar kostbaar jong bestaan te offreren aan good- en willy-nilly-will van de vakmeesters. Inmiddels snapt elkeen dat het ontplooiingsritme van de ‘guts’ op maat van de tewerkstelling van deze ‘vakmeesters’ geadministreerd wordt: men zorgt zorgzaam voor de langzame rijping van de jonge koene kunstbende. Maar veel intenser nog mikt men op een vriendelijk bemaskeren van de ware spirit van menig magister, zijnde een goed pensioendossier van de docerende acolieten.

Maar ik dwaal kilgeestig af. Laat het ons houden op de falsificatie in het vermarkten van ‘namen’. Of: wie bouwt mee aan de façade en wie regeert de coulissen?

Een verwarrende anekdote is de prikkel die mij doet verkeren met dame dubio.

Minder minzaam geworden door ervaringen en vele conversaties, was het mij al vaker opgevallen hoe weinig naïef en hoe ontdaan van enige scrupule tal van medemensen zich een weg baande doorheen het bestaan. In sommige sectoren (dorpspolitiek bijvoorbeeld) is het theater der ziellozen vrij voorspelbaar; in andere bestaanstakken zijn de uitgangsgedachten vrij van eenduidige oprechtheid (spontaan denk ik aan katholieke vorsers), wars van competentie of gewoon los van elke vorm van fatsoen. Men vulle aan volgens eigen kwetsuren of het geloof in een geitenwollen wereld.

Ik dwaal natuurlijk alweer af. Geen love, peace and understanding, maar de bedroevende anekdote dus. Dit was simpelweg een gesprek met een onzijdig persoon in geldnood, met een kunstgalerie in het oosten des lands. Nota bene, conversatio in loco delicti. De sterveling verklaarde doodleuk dat een ‘naam’, die in deze galerie debuteerde, een aangestampte reeks tipzakken, aan de muur gekleefd, voor een goed voorspeld miljoen verkocht kreeg. Lires, peseta’s, franken of euro’s: het maakte niet uit; het was toch opgezette zelfbediening. Een slikprobleem diende zich aan bij dergelijke exposé rond werkende businessmodellen van de kunstwereld in België.

Dame dubio zit sindsdien niet stil in mijn bestaan. Elke kritische doorlichting van deze of gene kunstenaar screen ik genoegzaam op zijn auteur; de toevallige liaisons van beiden bepalen vaak het gewicht en de richting van een ‘kritische’ beoordeling. Vermorzelen of verheerlijken; kennen wij elkaar? Of zijn wij de enige gave raven? Tom Naegels, ombudsman van De Standaard, stoeit met dezelfde vragen (DS, 12 september 2012, p25). Hij lijkt jong en hoopt op onbevlekkenis bij alle spelers. Duidelijk geen loot van het Kunstonderwijs.

Oh ja, natuurlijk is de drang om namen te kleven op deze oprispingen aanwezig bij elke gedachte. Namen en electronische vingerwijzingen branden op het toetsenbord. Maar ik zwicht mij er voor al te herkenbare mensen ten tonele te voeren, uit bekommernis voor hun kwetsbaarheid. Voor één keer mag je dit als spaarzaam-ironisch aannemen. Mijn leefwereld is vrij van zwijgplicht, maar goedgebonden aan toewijding voor de onverdedigbare medemens. Een beetje katholiek dus, een beetje Alice Nahon, een beetje goedhartig ‘in ’t eigen hert te kijken’. Ook mis ik de kunstsociologische devotie die bijvoorbeeld Pascal Gielen, in zijn boek ‘Kunst in netwerken’, mét naam en toenaam, stoffeert. De auteur doceert trouwens buiten de landsgrenzen. Hoet voor hem.

Los van ontnuchtering en emotie is duidelijk : de economische belangen staan centraal in het debat rond kunst en de bedienaars ervan. Economische behartiging, berekend prestige, het carrière-kladje, een brede media-verzorging en derde, vierde, vijfde betalers voor eigen glorie. In dit debat komt bij de protagonisten bovendien vaak een vorm van basisdrift bovendrijven : de drang om mindere inheemse goden te chargeren en andere, onbereikbare maar bruikbare goden een genegen hemel toe te bidden.

Dezelfde reflex vind je bij de wolk van wetenschappelijke en andere klaartemakers rond de kunstenaars. Elk woord, elke analytische noot wordt op valsheid beproefd.

Gielen zegt het zo mooi, academisch-omfloerst, na een interview met Jan Vercruysse en Luc Tuymans:

‘Uit deze retroactieve reconstructies van kunstenaars blijkt alvast dat hun queeste zich uit in het zoeken naar een verhouding ten opzichte van de kunstgeschiedenis, het actuele kunstgebeuren, filosofische inzichten, een persoonlijke inbreng, enzovoort.’ (p162)

Twee regeldeeltjes blijven bij : ‘het actuele kunstgebeuren’ en het zo symptomatische ‘enzovoort’. Een beetje ter vervanging van drie of meer puntjes. Beide dekken de grievende vracht, die een omzichtig onderzoeker poogt te aan te reiken. De facto komt de wetenschapper tot dezelfde conclusie die voor een nuchtere Bierbeekse* boer al lang duidelijk is : Vlaamse kunst lijkt op een massief patattenkoopmanschap, met als inzet de prijs van patatten . Een deel is voor de zwijnen gereserveerd – intern gebruik, geen discussie, geen prijs, gewoon voeder. Een volume wordt opgeborgen voor de volgende aanplanting (ligt koel en donker, uit het zicht van menig wijsneus). De vraag blijft welk deel tot frieten vermalen wordt, voor de massa met lege tipzakjes, voor de ‘publieke ruimte’. In de beredeneerde berekening hieromtrent spelen veel factoren – een netwerk van verhoudingen, zegt Gielen:  de trafiek bij collegae-landbouwers, ruilvertwijfeling, de spanning van de wind en de schrikdraad, de net-gemist-rilling voor de boerin next door, het stijve been van de eigen humeurige boerin, jaloezie contant cash, het pintje na de zondagse hoogmis,  raadgevers van Boerenkamers, punt puntje puntje. Ik zie verwantschap.

Vlaamse beeldende kunst is in Vlaamse klei gegrond, op een klein, klein akkertje.

Ik zit er niet in vast. Maar ik heb er wel een blauwgeplekt benul van.

* het moeten niet steeds West-Vlamingen zijn.

Expertus dico, nemo est in arte catholica fidelis.

De falsificatie in de Belgische fotografie (1).

Onlangs nog hoorde ik een zestigjarige fotojournalist op de radio de lijzige loftrompet bazuinen over de Belgische fotojournalistiek. Omtrent de ongekende luxe van het beeldmateriaal dat wij wel moeten kennen uit Vlaamse kranten en tijdschriftjes. Namen als Bieke Depoorter en Jimmy Kets en zo. Ik ken de brave man en zijn harmonieus werk te goed om ook maar één woord van dit eerbetoon te geloven; zijn onthoekte leeftijd en zijn strategisch-honingzoete gedachten verleidden de fotograaf om toch maar geen boude uitspraken te plegen. Hij weet immers, net als vele nuchteren onder de beeldmakers, dat de gehypede geniën van de actuele fotografie, vanuit netwerken opereren die zelfs quasi-gepensioneerden nog tot nut kunnen zijn. Dus waarom zou men tegen de golfslag ingaan en alle kansen op andermaal eigen glorie verkwanselen? Fotografie zit net als Kunst, in netwerken. Pascal Gielen heeft er een boekwerkje aan gewijd; ik begrijp derhalve op de wijze van de muilpeer hoe foto’s, net als culinaire vaardigheden en vele kunstuitingen vermarkt worden. Mensen, kunstenaars en andere fotografen worden in omkaderende netwerkjes gesmaakt, geraakt, gekraakt, uitgebraakt, vermaakt en af en toe (af)gemaakt. Jammer voor de voorbeeldige fotograaf M.H. uit G. dat hij de kwaliteiten van zijn eigen werk onvrijwillig ter discussie stelt. Een eigen oeuvre dat incompatibel is met huidige normen van de betere fotografie. Michiel, de dag dat jij met twaalfduizend-iso-ruis-onscherpe beeldjes maakt tijdens je zogezegd ongeorganiseerde reisjes, de nacht dat jij met lightroom-presets je grijstintenpalet weggooit, is de liefde over. Geloof me vrij: je kunt niet houden van een fraaie Hendryckx-foto, zonder toch wel kritisch de media-gestuurde gekte rond De Keyzer en Co te bekijken. Ik kan dit niet en ik wil dit niet.

Light in the room, number 37, by Mietje Stek

Light in the room, number 37, by Mietje Stek

Oogleedskow, night with clothes on, by Hie de Terpoo

Oogleedskow, night with clothes on, by Hie de Terpoo

Wat ik wel kan en wil is een wolf lichtelijk tegen de oorhaartjes in strijken. Gehaaide wolven zat trouwens in de vlechtwerkjes van onderwijsinstellingen en galerijtjes en vriendenkringetjes van musea. Plekken waar de actuele kunst vaak bepaald wordt, plekken op de ziel van wie echt van kunst-kijken wil houden. Met keurmerk ‘Sint’ of ‘Koninklijk’, het maakt weinig uit in dit kleine wereldje.

Zoals Gerrit Komrij bijvoorbeeld het scherp verwoordde. (De dichter-literator is weer in. In de Portugese pottersgrond, in de volksmond en in de mode.) Ik ontdekte een stukje van zijn meesterlijke pen in NRC.

‘Zien is uit de gratie. Zien telt niet meer mee. ‘t Kan te maken hebben met het ontzag dat de kunstenaar koestert voor het woord. ‘t Kan te maken hebben met de noodzaak om catalogi van een inleiding en kunstwerken van een bijschrift te voorzien. Kunsthistorici en museumdirecteuren moeten ook iets om handen hebben. Ze moeten mee-creëren, hun biotoop smeekt erom, al kunnen ze zelf niets. Maar babbelen en verbaal luchtfietsen en filosofietjes overschrijven kan iedereen. Daar zou het allemaal mee te maken kunnen hebben.’

De komende maanden zoek ik adrenalinegewijs naar meer ijkpunten in de fotografie. Ik besef al te goed dat mijn oubolligheid dit zoeken vaak zal inkleuren. Met naam en toenaam. Als koppige fotograaf heb ik slechts mijn beeldhonger te verliezen. Het enig netwerkje in mijn huiskring bevindt zich net boven de afvoerbuis van het aanrecht. Het functioneert overigens prima.

Carpe diem irae.