Lucas Dewaele, dagboek

Over fotografie en leven.

Category: Etienne Vermeersch

Ontmoetingen van de dag. (Kwetsbaar).

20130426_dagboekje__DSC0368LD 20130426_dagboekje__DSC0402LD 20130426_dagboekje__DSC0446LD 20130426_dagboekje__DSC0455LD 20130426_dagboekje__DSC0514LD

Het desoxyribonucleïnezuur van fraude.

Het is een hele gedeisdstelling uit gespecialiseerde bronnen te vernemen dat een kunstenaar écht werkt en in het bijzonder ‘onderzoekt’. Onlangs nog overspoelde mij een lijstje ‘onderzoeksgebieden’ die momenteel ‘in’ zijn. Een trendy voorbeeldje: de invloed van ijdelheid en van het ouder-worden op het individu, het onveiligheidsgevoel van de enkeling in de urbane ruimte en de gebreken van individuele gezichtsverlamming en wat er op zich aan te doen is. Ook het complexere ontrafelen van verborgen spanningsvelden tussen de individuele manspersoon en de Macht, blijkt een onkoel hangijzer. Gepokt in een omkadering van een steeds lichter wegend, academisch-ogend woordenkluwen. Favoriete terminologie: ‘context’, ‘een expliciete daad’, ‘een compliciet discours’, ‘een zelf-kritische, mutuele herkenningsreflex’….  Het gebruik van die woorden veronderstelt een quasi deemoedige houding bij de niet-kenner-wel-kijker. Ze behelzen een bijna-devote oproep tot stilte en stilstand. Vooral van wie de kritische geest uit de armen sluit. En voor wie teveel respect toont voor de experten die de waarde van ingelijste excrementjes sacraliseren.

De aanleiding voor deze bedenking is eenvoudig: voor wie er op let, valt het wellicht geweldig op dat een kleine schare van bepaalde kunstenaars zowel lokaal als nationaal kloek-geolied vermarkt worden. Het werd blijkbaar –o, crisis- tijd voor de aanpak van een gemazelde marketeer en die heeft een topprestatie neergezet; dat is alvast duidelijk. Het bezet houden van bepaalde musea (M, bijvoorbeeld) verwordt steevast tot prerogatief van een ‘gelovige’ binnenwacht. Andere bredere ingrepen van markt-strategisch inzicht: gewichtig genummerde litho’s krijgen een waardevol krantenomhulsel; prime-time op Radio1 wordt mantra-matig gevuld met een zeer denigrerende boodschap : ‘jij bent een prutser; kom snel zien naar wat echt top is’, in –ik zeg maar iets- fotografie. Ook provinciaal-lokaal blijkt er zich een sterke monopolisering door zogenaamde mondiale namen af te tekenen. Crisis of niet: met gemeenschapscenten worden kunstenaars onstuimig belangrijk verklaard. Een roze en rode loper, het is uitkijken geblazen voor de onbefaamde kunstwerker uit de parochie. Diens zolder raakt trouwens langzaam vol met kunstwerken van eigen makelij; kleurige lopers kunnen er niet bij.

Een Oostenrijks merrietje op leeftijd, in een Brusselse stal.

Deze gedachten werden recent wat aangezwengeld door een aantal gebeurtenissen in de media. Ten eerste. Iets wat mij bijzonder hard trof op 21 maart: de geopenbaarde ‘onderzoeksfraude’ aan universiteiten of, om in de ongetruceerde terminologie te blijven: geknoei met onderzoeksresultaten. Wellicht is dit nieuws nu al quasi vergeten, maar stel je het toch maar voor:  geachte professoren werden door hun studentjes aangeklaagd wegens… fraude, fopperij, façade . Even kreeg ik een ceremoniële déjà-vu, als ik terugdenk aan mijn tijd aan een Brusselse kunstinstelling. Hoe durven die domorige studentjes aan het renommée van eminente figuren friemelen? Respectloos -zeker voor hun professionele toekomst- , maar met een hart en tong en dadendrang in een goeie katholieke volgorde. Ik betoon respect voor zoveel jeugdige afvalligheid en wens hen heilig vuur om de wassen neuzen blijvend te bestoken. Misschien moeten gladgeschoren politici tussendoor eens doorheen het betonnen coconnetje van meer onderwijs in de schaduw boren. Asjeblief.

Een tweede feit dat mij enigermate aanstootte, is het behendig wereldkundig maken van het kunstwerk van Maya Bösch en Régis Golay . Zijnde een opgehangen dood paardenlijf, toevallig ergens op een centrale plek in Genève. En zeker niet bedoeld om te choqueren. Hooguit om te ‘decontextualiseren’, het debat aan te zwengelen en om toevallige vegetariërs te schofferen, maar dan als collaterale poets. Ik herken een zo evidente en slinkse kunstgreep als een constante wederkerigheid in het kunstwereldje zoals het beleefd en gestuurd wordt in ons kleine landje. En zoals het ook dubbelzinnig en anoniem verweven wordt in bepaalde vormen van kunstonderwijs. Maar daar wordt deze subtiele falsificatie eerder als strategische behendigheid en handigheid aangeprezen, als een uiting van een persoonlijkheidskenmerk sine qua non. Terwijl het in feite om een puur gemanipuleerde vorm van (eufemistisch bedoeld) ‘smaakbepaling’ betreft. Een believer uit de kring wordt aangetikt en voelt zich comfortabel ongetoucheerd. Iedereen vaart wel bij het meestappen in de logica van de behandelde integriteit. Behalve de occasionele non-believer die zich andere vragen stelt. Maar ook voor deze bonhomme is er een beleidslijn uitgetekend. Laat mij even een belanghebbende citeren. ‘Charlotte Moser, de directrice van een moderne kunstgalerij in Genève, geeft toe dat dieren en baby’s altijd een schot in de roos zijn. Mensen reageren daar vaak heel emotioneel op. Ze kunnen er niet vanop een afstand naar kijken en missen zo de boodschap van de kunstenaar. Het volk mag zich echter ook eens vragen stellen en niet altijd slikken wat de media ons voorkauwen.’ (HLN, 4 april 2012) Ik leid af dat wie afkeurend en te dichtbij kijkt, iets mist. Dom en doof voor een artistieke boodschap en zeker geen kritische geest tegenover de informatiestroom van de media. Het volk is dwaas, oningelicht, koppig. Ik meen hierin een futiele contradictie te ontdekken: gebruikt de galleriehoudster net niet de volkse media om haar ‘plan de campagne’ uit de doeken te doen en wat aandacht op te eisen voor het statement van het kunstenaarsduo? (Die boodschap is overigens vrij simpel : het aflijvige paard symboliseert de verloren gevechten des levens… Sterke geur overigens.)

Lappersfortbosje : ‘de verloren gevechten des levens’

Ik verbind beide ervaringen – wetenschappelijke fraude in het academische milieu en zeer uitgekiend werkplan in het kunstcircuit. Ik vrees dat beide kringen qua draaiboeken vaak eenstemmigheid laten horen. En dat spijt mij nog elke dag. Het komt neer op het verzuren van het DNA van de kunst.

Waaruit bestaat dit DNA dan wel? Ik weet het nauwelijks: ik bestudeer al kijkend, al fotograferend. Maar ik ben wel vrij zeker omtrent de niet-bestanddelen van hedendaagse en  listige ‘kunst’. Kunst draait niet (meer) om dure, edele grondstoffen. Kunst draait niet (meer) om ambacht, om aangeboren talent, om inzet, om energie, om ongekunsteldheid. (Ter invulling van deze behoeften zijn er steeds vakmensen-uitvoerders.) Kunst draait ook niet om het helder idee, een concept, een besluit, een onderwerp, een pakbare uitleg van een intellectueel beredeneerd traject. Daarvoor worden inhoudelijk-nuchtere vragen meestal meesmuilend genegeerd of met een kwinkslag ontweken. Het denigrerend estimeren van de vraagsteller is daarbij het aangewezen reactiepatroon. Hij is de man buiten de connectie, het netwerk.

Mensen. Je moet een weinig halfzacht zijn om te geloven dat kunst –zoals actueel belicht in media, Brusselse instellingen en Luikse galerietjes- iets te maken heeft met materie, ambacht of intellectuele arbeid. Het heeft een verbazend verband met een basisvorm van economie en, dieper liggend, een voorkomen van een spiritualiteit. Een opwellend voorbeeldje: een kunstenaar die zich argeloos blootstelde tegenover kunststudenten, nam ongegeneerd citaten als ‘de kwestie ‘geld’ zit altijd in mijn hoofd’ en ‘het komt er op aan de eerste te zijn’ in de bek. Trots ook dat hij met wraak als energetische drang en met een valse perskaart in het ‘wereldje’ kon penetreren. Ik kan me dus niet bevrijden van het gevoel dat simpel fatsoen (niet het soort dat publiekelijk beleden wordt) niet eigen is aan de actuele kunstenaar met naam en gefingeerde faam.

Kunstwetenschapsonderzoeksfraude. De gedaante van dit woord is beangstigend: het staat haaks op mijn kinderlijk geloof in de ruiterlijke erecodes van de kunstenaar. Maar ik kan me deerlijk vergissen; ik ben tenslotte maar een koppig fotograaf, die ontevreden is over het loutere instemmen met de conclusies van de ingewijden. Ik dacht even, het wordt tijd om namen te noemen. Om met cactussen de ballonnenwinkel op te leuken. Of is dit geen daad van naastenliefde tussen missionarissen?

decontextualisering

Komende en gaande Beschamende Gedachten.

Typisch Hasselblad.

Cultuurpagina’s zijn inktgeworden reclamecampagnes. Radiospotjes, net voor het wereld- en voetbalnieuws, houden stand op de tegenstelling tussen prentjesmakers en kunstenaars. De stem laat er geen twijfel over bestaan : jij bent de kiekjesboer van poesjes, kinderen en versierde schotels. En: in de Belgische zenit van de fotografie is nauwelijks plaats voor 2 à 3 man, duizenden gratis ‘litho’s’ – wat waardevol toch- en één braaf meisje. Mooi verdeeld; minstens drie onvriendelijke vrouwen zullen dit vrouw-onvriendelijk vinden. Een mooi mismaakt evenwicht voor komende en gaande wichten.

‘Onbenullig, jaloers, verlamd’  : geen mens die kijkt vanuit een onbevangenheid, ontsnapt aan deze labeling. Stoutweg tegen de gangbare smaak ingaan, garandeert dit reactiepatroon vanwege gangmakers en vooral vanwege de volgers in de kunstkaravaan. In kringen sluit het negeren van oppositiestemmetjes natuurlijk ook wel een voorspelbare terugslag in. Wat had je gedacht? Echte kenners laten zich echt niet kennen, niet in de coulissen, niet in lezersbrieven. Een anonimiteit certificeert het lange gerijmde leven. De waas van expertise overleeft op een dieet van discretie, generaties lang. Ook katholieke mensen durven dit wel eens mondjesmaat ‘hypocrisie’ noemen, tegenwoordig.

Ik hoorde van mijn goede vriend Lance dat woede een gave is. Is schaarse woede dan een gebrek? Ik mag hopen van niet. Een ingekrompen woede heeft eerder te maken met een vorm van berusting , van strijdonlust. En dus ook wel van, foert, gewoon toegeven. Is het zinvol het vingertje op te steken tegen de verblinding door een stel geoliede marketing-automatoren? Neen. Maar het hoofd en de ziel buigen is natuurlijk dan weer teveel gevraagd: ik blijf passen voor de holle frases van de kunstrecensenten en de superlatieven rond wie niet uit de media te branden is. Ik doe dit met een eigen beeldtaal.

Voor mij ligt een auteurloos tekstje met of zonder belang. Over ‘gaten en holtes in een landschap’. Het verklaart wat beelden verbergen voor wie toch even stilstaat en toekijkt en – o gebrekkige schranderheid – dreigt met weggaan. Ik lees paswoorden als ‘zeer associatief werk’, ‘bevreemdend effect’, ‘mentale aantrekkingskracht’. Mooi gekopieerd en niet nutteloos in functie van een beeldbloedarmoede. Maar wat heb je eraan, als je eerlijk naar beelden kijkt? Voor mij staat nog een tekstje op het scherm. Van Birgit Speulman, over kunst, haar kunst. Behoorlijk onacademisch onderbouwd maar zo authentiek en ongelogen voor de raap.

Kunst.

Ervaringen verbeelden.
Kijken, denken, bewegen en zoeken naar het randje van de wereld.
Het landschap is mijn omgeving en bron van inspiratie. Ik graaf in mijn tuin, ik wandel in velden, bossen en steden, op asfalt, in modder en langs de zee. Ik verzamel indrukken, beelden, verschijnselen die me nieuwsgierig maken, die uitnodigen verder te kijken dan de oppervlakte.
En ik ga aan het werk. Denken, tekenen, kijken. Spanning tussen idee en uitwerking, zoeken naar een balans. Als het klaar is, wil ik het delen.

http://birgitspeulman.wordpress.com

Gedachten bungelen heen en weer tussen beide werelden : enerzijds het circuit van would-become kunstenaars, inclusief nagemaakt woordgebruik en anderzijds, het kleine gezelschap, dat ‘kunst’ omarmt als een grabbelbak van talent, techniek en blijvend zoeken. Ik laat mij aangrijpen door meneer Arie Stoteles : ‘De eerste eigenschap van stijl is helderheid’.

En als je nu vergeeft : ik haal mijn Hasselblad van onder stofhoezen en schaamteharen en heropen mijn donkere kamer. Zorg jij voor de begeleidende tekst van mijn onvruchtbare herinneringen?

Hasselblad.

De Kunst, van het onderwijzen.

Een vraag om te scoren.

Ik kan het nadenken niet laten. Een flard van gewild leven en roekeloos ver- en wantrouwen. En wellicht ook een reflex van een verleden in een ondubbelzinnig katholiek college, waar het bezinnen en het spelen met ideeën enkel door enkelingen aangemoedigd werden. Ik herinner mij de namen van die behartigende leraars nog levendig. In zes lange lange jaren waren zij te tellen aan de hand van een gering aantal ledematen. Anderen lijken gewoon heengegaan, vervluchtigd zonder sporen of aanwijzingen van werkzaamheden kwijt te raken. Toch niet in onze toenmalige jonge harten en zieltjes.

Vandaag denk ik dus na. En zo ver was ik reeds geraakt, in mijn simpele analyse : in het kunstwereldje waar ik even van proefde, bleek de nuttigheid van het kunstwerk op zich onmiskenbaar nietig, in een stroom van radiospotjes, academische frases, lelijke affiches en slechte wijn op vernissages. Ik was even een bevoorrechte getuige hoe zelfs eentalig dronken galeristen-in-de-frontlinie helemaal geen scrupules hadden omtrent de status van een kunstwerk als louter economisch gegeven. Objecten, gebaren en concepten gewoon in het licht van harde valuta. Misschien verwed ik er ooit een stuk eigen rancune op : er is een onderhuidse competitie gaande tussen de usual suspects in het slijten van atelierproductie, werken waarvan de evangelische waarde uitsluitend op kunstfora bepaald wordt. Als een blijde boodschap klinkt dit niet, maar het zijn wel oprechte bevindingen tot op heden.

De Prof.

Er is natuurlijk de pictografische Prof. Etienne Vermeersch, notoir ex-gelovige op vele vlakken. ‘Wat is Kunst?’ lijkt een vraag die hij even terloops zou oplossen en dat doet hij ook minzaam in zijn wetenschappelijk en rationeel universum. Structureren, a piece of cut cake voor de prof. ‘Wat is kunst, wat is schoonheid, wat kan wat redden?’ …. ik denk het enigszins omneveld te kunnen samenvatten. Er is enerzijds de fysisch-aandoende term ‘redundantie’, een op- en neergaande golf van wederkerende leidmotieven in vele uitingen van kunst. Herhaalde hoekpatronen die het individuele geheugen en de algemene codes ondersteunen, bevestigen, waarmerken. En er zijn anderzijds de innovatieve ‘informatie-insteken’, die de nieuwe inzichten van het individu verzoenen met traditie en herkenbaarheid. Of juist omfloerst bruuskeren. En er is de ware kunstenaar die het ‘optimum’ tussen beide manipulaties beheerst. De logische vraag: ‘wat is een ware kunstenaar?’ dringt zich onverwijld op.

Ik weet, ik heb een grove doch vergeeflijke denkfout gemaakt: de veronderstelling dat de ‘kunst’ van de professor ook in het (hoger) kunstonderwijs zijn verlengde authenticiteit genoot. Met andere gedachten, dat de herkenbare en inlepelbare kunst-uitspraken van de professor ook naadloos toepasbaar zouden zijn op wat in kunstinstituten gedoceerd wordt. Mijn kinderlijk koppelen van deze gedachten is nu echt wel een teken van…. redundantie op vlak van naïviteit. Of domheid, als dit concreter klinkt, voor iemand als ik, met afgepakte winstbewijzen.

Ik heb dus iets fundamenteels bijgeleerd. De vraag ‘wat is kunst’ doet in bepaalde kringen echt niet terzake. De kwestie stellen op een doorgedreven manier, is zelfs schadelijk. Tenzij uiteraard als teaser op uitlopende vernissages – om dronkemansmonologen gaande te houden- of  als camouflagenet om ongezien een vorm van economische spiritualiteit te bedrijven. Met een schijnbaar gedreven kennis van namen, feiten en relaties als glijmiddel, die de aannemelijkheid van de expert dienen te versterken en die de galerieverkoop omkaderen. Meer niet: ik kom tot de voorlopige conclusie dat ‘kunst’ (ik bedoel het object, het product) de facto niet van belang is, in gekende milieus, waarvan een doorsnee burger kan verwachten dat het juist daar een essentieel deel van de core-business zou uitmaken. En ja, ik wijs verantwoord naar kunstscholen, waar kunststudenten hun openheid begraven ten behoeve van het zeggenschap van derden.

Ik ben kwaad. Op mezelf. Omdat ik, na 20 jaar kunstonderwijs, niet eerder inzag dat ‘kunst’ geen belang heeft buiten het individu, de maker. Buiten het regime van de auteur krijgt het werk een aparte legitimiteit. Een betekenis en een belang die het verlies aan grip van de kunstenaar telkens opnieuw benadrukt. Genadeloos en zonder aantoonbare inspraak. Natuurlijk zijn tal van kunstenaars maar wat blij met het aangeboden gewicht op een presenteerschaaltje; wie wil zich niet beredderen met vermaardheid, als connaisseurs dit graag aanbieden? Misschien is de glorie van ongebonden, authentieke artiesten niet van deze wereld. Ik blijf mij onderscheiden met vele luchthartige gedachten; ik kan het niet laten. Ik blijf in het donker over de muur kijken.

Onderweg naar huis.