Lucas Dewaele, dagboek

Over fotografie en leven.

Tag: marie pascale gildemyn

Message (elucidated).

20140722_dagboek__DSF3925-2

Alio sub pectore virescam.

Message.

20140722_dagboek__DSF3907-2

Alio sub sole virescam.

Orwellian Flanders.

animal-farm

“Orwellian” is an adjective describing the situation, idea, or societal condition that George Orwell identified as being destructive to the welfare of a free and open society.

Pattern-card of my lowlands paradise.

20140714_dagboek__DSF3542 20140714_dagboek__DSF3538 20140714_dagboek__DSF3535 20140714_dagboek__DSF3529 20140714_dagboek__DSF3525 20140714_dagboek__DSF3522

Flemish towns to avoid (80)

20140601_dagboek_DSF0402 20140601_dagboek_DSF0405-2 20140601_dagboek_DSF0412-2 20140601_dagboek_DSF0417-2

The true world of Hasselblad.

500fcm

True Tribute to formal parameters.

Flemish towns to avoid (79)

 

20140528_dagboekje_DSF021120140528_dagboekje_DSF020620140528_dagboekje_DSF020020140527_dagboekje_DSF0188

Belgicule. ©Flanders

20140524_dagboek_DSF0107

 

Saul Leiter in no great hurry.

20140503_dagboek_DSF8613-320140503_dagboek_DSF8631-2

 

Feeling barely blue in Liège.

20140503_dagboek_DSF8850-2-2 20140503_dagboek_DSF8841-2-2

 

A louer.

20140503_dagboek_DSF8212

Belgicule (2). ©Liège

20140418_dagboekje__DSF7153

You are a pest, by the very nature of that camera in your hand.

Anne, Princess.

Postcard ©Flanders

postal1-2

 

Perspectives (3). ©Flanders

dream

 

Belgicule. ©Flanders

20140329_dagboek_DSF6168

 

Ons erfdeel (Our ambiguous inheritance). ©Flanders

20140329_dagboek_DSF6136-2

 

Godot. ©Flanders

20140329_dagboek_DSF6143

A picture is a secret about a secret, the more it tells you the less you know.

Diane Arbus

 

Perspectives. ©Flanders

perspective

 

Corpus artis.

odebeelden-5

In Dei nomine feliciter.

Flemish towns to avoid (69)

20140304_dagboek_DSF4799 20140304_dagboek_DSF4818 20140304_dagboek_DSF4822

Belgian Art Department System.

 

20140217_DSC5698 20140217_DSC5799

Shooting a dog.

20131228_dagboek_DSF0638

Contra vim canis non est medicamen in hortis.

Onderweg naar 1000, een mille-paal (tussen heilige huisjes).

20131209_dagboek_DSF8328

Trein-reis-tijd-ver-drijf en een afdracht aan vormen van vergetelheid : dit was de oorspronkelijke toon van dit beeldkantwerkje. Wat begon als halve opmaat in een onderzoek naar ‘beeldtaal’ , halverwege september 2011, evolueerde, ontdeed zich vol van ruwe basten. ‘Research’ heet dit ceremonieus. De analyse van een blanke kiem – oprechte leergierigheid – die aanwaste tot een quasi dagelijks bezinksel van gedachten en vooral van beelden. En soms van amper ingehouden gram met gewicht. Het klonk niet te allen tijde als muziek in expertenoren – ik pleit ronduit schuldig. Maar ik prijs mezelf voornamelijk gelukkig dat de ingeslopen episodes van uitgemaakte woede niets meer dan driftige tussendoortjes waren; de personen waarop mijn woorden sloegen, hebben hun plaatsen volkomen verdiend verdiend, iets dat zo waar op een dubbele doorslag lijkt dus. De onbewogen conclusie luidt : het Belgische kunstondermaanse is er op maat van ‘men’. En voelt bovendien aan als schijnbaar gepolierd beton : bij uitstek de koude teelgrond waar men én intellectueel én als belazeraar kan overleven en waar ‘men’ , althans onder het deken van een diepkerkerlijke structuur, zich opwarmt aan een verplicht nummertje maatschappelijke ‘dédain’. Jammer dat het jonge mensen de ziel kost, in ruil voor wat binnenkerkelijke roem. (Ik wist niet dat contextblindheid zo ver kon reiken, maar wellicht leed ik er indertijd zelf aan.)

De bagagerekfunctie van de Kunstmedia.

De bagagerekfunctie van de Kunstmedia.

Ik gebruik gaarne het onbenadruke voornaamwoord ‘men’, omdat het consequent de anonimiteit en het verhullen van eigenschappen duidt. Na bijna duizend berichtjes alhier, concludeer ik alweer : ‘men’ staat nog steeds in de weg van fotografen – frisse beeldenmakers – die onverzadigd rondkijken en die, tuk op beeldstukjes, boeken maken. Boeken met beelden die niet belust zijn op daglicht of op kranteninkt of op plakkaten langs snelwegen. Niemand ziet ze, niemand beroert ze. Ze wachten volstrekt op een koppel ogen en op gangbare zintuigen. Ze vertrouwen op niets meer. Leg de nadruk op het woord naar keuze.zonder-wortel

A priori stel ik nog: het Latijnse kapsel rond de beelden is een bevallig gevolg van deze onbruikbaarheid. Hecht er geen belang aan, een behanger moet ergens heen met lijmresten. Dat meen ik oprecht : het beeld in het gesloten boek bevrijdt zijn maker van woorden en gedachten en stemmen en honger naar Weekend-Knack-roem. Een flâneur-fotograaf kan echt vrij zijn; een kunstenaar misschien ook. Al twijfel ik meer dan ooit tevoren aan dit laatste. (Het woord ‘artistiek’ lijkt meer en meer een vermengsel van ‘spiritueel’ en ‘economisch’, in wisselende verhoudingen en netwerkjes.)

Artistiek Momentum (geen import).

Artistiek Momentum

Ik schrijf dit tekstje om vele redenen. Eén ervan is dat schrijven op zich een nagenoeg verslavende bezigheid is. Te vergelijken met het lezen van de A4’tjes van Bernard Dewulf in De Standaard. Het is geen werk, het is als een verlangen naar en het bijna proeven van onbetaalbare wijn. Schrijven is oplettend zijn, open voor feitelijkheden, kritisch voor het eigen denkkader; woorden op papier zetten, met een puntgom wissen en uitgeslapen tegen de kwart-waarheden optornen. Schrijven is bruusk invullen wat men in half-affe zinnen niet wenst te communiceren. Schrijven over kunstigheden is het dwingend in vraag stellen van wildcard-kaarten voor kunstconcours en –subsidieregelingen. Schrijven is beter fotograferen. Of draai het gewoon om. Het is een vorm van leeglopen. In al zijn betekenissen. Verslavend en niet altijd opbeurend; het gladde weerwoord ‘kankeraar’, met al zijn connotaties, is de functionele platitude, die ware dimensies doet vergeten. Vandaar dat ik tussentijds achterover leun en woorden en gedachten laat uitbollen. (In tegenstelling tot mijn echte verslaving : beelden maken).

Andere redenen om met woorden te schermen zijn minder tegensprekelijk.  Er zijn de reacties zonder gewicht en er zijn uitspraken die om een wederwoord smeken. Beide hebben bestaansrecht en ik ben auteurs van allerlei kunne dan ook dankbaar. Zij versterken en ontkrachten mijn denklimieten. Zij wijzen meedogenloos op een gebrekkige samenhang en zij maken mee de context voor de verwondering. Mijn verwondering.

E-mail : jovanstee@tiscali.be

E-mail : jovanstee@tiscali.be

Nog redenen? Misschien van pedagogische aard, zelfhulp-geïnspireerde schimpscheutjes, de goesting om zomaar een sneer uit te delen, zichzelf even samen te vatten als voorwinterse keuring, revanche-intenties te sacraliseren, het éénmansgelijk te benoemen. Alles kan. En zeker via dit medium. Waar woorden en beelden hooguit voor wat dagbederf kunnen zorgen.

Nog even over mijn verwondering. De ‘verwondering’ die ik als enig standvastig criterium om over beelden te spreken, hanteer. De verwondering die ik zelf als praktiserend fotograaf ervaar én de verwondering die ik, eenvoudig en koppig zijnde gelovige, niet loslaat. Ik wil graag de ‘verwondering’, waaruit mijn beelden ontstaan, onbevangen en blijvend benutten, besteden en uitoefenen. Als een inschikkelijke kracht om met het medium ‘fotografie’ aanwijzingen te maken.  Verbanden aan te tonen, bewijslast te vergaren of gewoon vanop een scheidslijn te rapporteren. Mensen, die ik eerder als ‘men’ aanduidde, noemen dit ‘irrelevant, oppervlakkig, zonder impact’. Ik houd van deze woorden. Ik hou ze, op een klein vergelend papiertje, in een klein lijstje, binnen handbereik. Ik heb ze gestolen, ontfutseld aan een bokkige baliebediende van een kunstschool; ze knipte deze kleutergewijs-recht uit, uit een juryrapport. Wie ooit – bij wijze van opeising- binnenbreekt in mijn werkruimte, zal deze ingekaderde woorden nooit waardevol genoeg achten om mee te nemen. Maar voor mij werken ze een als een ouderwetse dynamo : draai er aan en elders komt er energie vrij, in een vorm die soms verrast, verwondert.20131210_dagboek_DSF8423

Mijn bijna-duizendste relaas is een kennisgeving tussen de negenhonderdnegenennegentigste en de duizend-en-eerste. Niets markants dus, maar – voor mijzelf – toch wel weer een eigenaardigheidje erbij. De boeken hou ik niet bij. Geen cijfers, geen statistieken, geen bangigheid om uit of in de boot te vallen.  Geestdrift is mijn onstuimig en onbeschut deel. ‘Men’ is er onblij mee.

Koppigaard.

20131209_dagboek_DSF8295

Disliked by art staff.

20130708_dagboek__DSF6502LD 20130708_dagboek__DSF6457LD 20130708_dagboek__DSF6446LD 20130708_dagboek__DSF6517LD

Het desoxyribonucleïnezuur van fraude.

Het is een hele gedeisdstelling uit gespecialiseerde bronnen te vernemen dat een kunstenaar écht werkt en in het bijzonder ‘onderzoekt’. Onlangs nog overspoelde mij een lijstje ‘onderzoeksgebieden’ die momenteel ‘in’ zijn. Een trendy voorbeeldje: de invloed van ijdelheid en van het ouder-worden op het individu, het onveiligheidsgevoel van de enkeling in de urbane ruimte en de gebreken van individuele gezichtsverlamming en wat er op zich aan te doen is. Ook het complexere ontrafelen van verborgen spanningsvelden tussen de individuele manspersoon en de Macht, blijkt een onkoel hangijzer. Gepokt in een omkadering van een steeds lichter wegend, academisch-ogend woordenkluwen. Favoriete terminologie: ‘context’, ‘een expliciete daad’, ‘een compliciet discours’, ‘een zelf-kritische, mutuele herkenningsreflex’….  Het gebruik van die woorden veronderstelt een quasi deemoedige houding bij de niet-kenner-wel-kijker. Ze behelzen een bijna-devote oproep tot stilte en stilstand. Vooral van wie de kritische geest uit de armen sluit. En voor wie teveel respect toont voor de experten die de waarde van ingelijste excrementjes sacraliseren.

De aanleiding voor deze bedenking is eenvoudig: voor wie er op let, valt het wellicht geweldig op dat een kleine schare van bepaalde kunstenaars zowel lokaal als nationaal kloek-geolied vermarkt worden. Het werd blijkbaar –o, crisis- tijd voor de aanpak van een gemazelde marketeer en die heeft een topprestatie neergezet; dat is alvast duidelijk. Het bezet houden van bepaalde musea (M, bijvoorbeeld) verwordt steevast tot prerogatief van een ‘gelovige’ binnenwacht. Andere bredere ingrepen van markt-strategisch inzicht: gewichtig genummerde litho’s krijgen een waardevol krantenomhulsel; prime-time op Radio1 wordt mantra-matig gevuld met een zeer denigrerende boodschap : ‘jij bent een prutser; kom snel zien naar wat echt top is’, in –ik zeg maar iets- fotografie. Ook provinciaal-lokaal blijkt er zich een sterke monopolisering door zogenaamde mondiale namen af te tekenen. Crisis of niet: met gemeenschapscenten worden kunstenaars onstuimig belangrijk verklaard. Een roze en rode loper, het is uitkijken geblazen voor de onbefaamde kunstwerker uit de parochie. Diens zolder raakt trouwens langzaam vol met kunstwerken van eigen makelij; kleurige lopers kunnen er niet bij.

Een Oostenrijks merrietje op leeftijd, in een Brusselse stal.

Deze gedachten werden recent wat aangezwengeld door een aantal gebeurtenissen in de media. Ten eerste. Iets wat mij bijzonder hard trof op 21 maart: de geopenbaarde ‘onderzoeksfraude’ aan universiteiten of, om in de ongetruceerde terminologie te blijven: geknoei met onderzoeksresultaten. Wellicht is dit nieuws nu al quasi vergeten, maar stel je het toch maar voor:  geachte professoren werden door hun studentjes aangeklaagd wegens… fraude, fopperij, façade . Even kreeg ik een ceremoniële déjà-vu, als ik terugdenk aan mijn tijd aan een Brusselse kunstinstelling. Hoe durven die domorige studentjes aan het renommée van eminente figuren friemelen? Respectloos -zeker voor hun professionele toekomst- , maar met een hart en tong en dadendrang in een goeie katholieke volgorde. Ik betoon respect voor zoveel jeugdige afvalligheid en wens hen heilig vuur om de wassen neuzen blijvend te bestoken. Misschien moeten gladgeschoren politici tussendoor eens doorheen het betonnen coconnetje van meer onderwijs in de schaduw boren. Asjeblief.

Een tweede feit dat mij enigermate aanstootte, is het behendig wereldkundig maken van het kunstwerk van Maya Bösch en Régis Golay . Zijnde een opgehangen dood paardenlijf, toevallig ergens op een centrale plek in Genève. En zeker niet bedoeld om te choqueren. Hooguit om te ‘decontextualiseren’, het debat aan te zwengelen en om toevallige vegetariërs te schofferen, maar dan als collaterale poets. Ik herken een zo evidente en slinkse kunstgreep als een constante wederkerigheid in het kunstwereldje zoals het beleefd en gestuurd wordt in ons kleine landje. En zoals het ook dubbelzinnig en anoniem verweven wordt in bepaalde vormen van kunstonderwijs. Maar daar wordt deze subtiele falsificatie eerder als strategische behendigheid en handigheid aangeprezen, als een uiting van een persoonlijkheidskenmerk sine qua non. Terwijl het in feite om een puur gemanipuleerde vorm van (eufemistisch bedoeld) ‘smaakbepaling’ betreft. Een believer uit de kring wordt aangetikt en voelt zich comfortabel ongetoucheerd. Iedereen vaart wel bij het meestappen in de logica van de behandelde integriteit. Behalve de occasionele non-believer die zich andere vragen stelt. Maar ook voor deze bonhomme is er een beleidslijn uitgetekend. Laat mij even een belanghebbende citeren. ‘Charlotte Moser, de directrice van een moderne kunstgalerij in Genève, geeft toe dat dieren en baby’s altijd een schot in de roos zijn. Mensen reageren daar vaak heel emotioneel op. Ze kunnen er niet vanop een afstand naar kijken en missen zo de boodschap van de kunstenaar. Het volk mag zich echter ook eens vragen stellen en niet altijd slikken wat de media ons voorkauwen.’ (HLN, 4 april 2012) Ik leid af dat wie afkeurend en te dichtbij kijkt, iets mist. Dom en doof voor een artistieke boodschap en zeker geen kritische geest tegenover de informatiestroom van de media. Het volk is dwaas, oningelicht, koppig. Ik meen hierin een futiele contradictie te ontdekken: gebruikt de galleriehoudster net niet de volkse media om haar ‘plan de campagne’ uit de doeken te doen en wat aandacht op te eisen voor het statement van het kunstenaarsduo? (Die boodschap is overigens vrij simpel : het aflijvige paard symboliseert de verloren gevechten des levens… Sterke geur overigens.)

Lappersfortbosje : ‘de verloren gevechten des levens’

Ik verbind beide ervaringen – wetenschappelijke fraude in het academische milieu en zeer uitgekiend werkplan in het kunstcircuit. Ik vrees dat beide kringen qua draaiboeken vaak eenstemmigheid laten horen. En dat spijt mij nog elke dag. Het komt neer op het verzuren van het DNA van de kunst.

Waaruit bestaat dit DNA dan wel? Ik weet het nauwelijks: ik bestudeer al kijkend, al fotograferend. Maar ik ben wel vrij zeker omtrent de niet-bestanddelen van hedendaagse en  listige ‘kunst’. Kunst draait niet (meer) om dure, edele grondstoffen. Kunst draait niet (meer) om ambacht, om aangeboren talent, om inzet, om energie, om ongekunsteldheid. (Ter invulling van deze behoeften zijn er steeds vakmensen-uitvoerders.) Kunst draait ook niet om het helder idee, een concept, een besluit, een onderwerp, een pakbare uitleg van een intellectueel beredeneerd traject. Daarvoor worden inhoudelijk-nuchtere vragen meestal meesmuilend genegeerd of met een kwinkslag ontweken. Het denigrerend estimeren van de vraagsteller is daarbij het aangewezen reactiepatroon. Hij is de man buiten de connectie, het netwerk.

Mensen. Je moet een weinig halfzacht zijn om te geloven dat kunst –zoals actueel belicht in media, Brusselse instellingen en Luikse galerietjes- iets te maken heeft met materie, ambacht of intellectuele arbeid. Het heeft een verbazend verband met een basisvorm van economie en, dieper liggend, een voorkomen van een spiritualiteit. Een opwellend voorbeeldje: een kunstenaar die zich argeloos blootstelde tegenover kunststudenten, nam ongegeneerd citaten als ‘de kwestie ‘geld’ zit altijd in mijn hoofd’ en ‘het komt er op aan de eerste te zijn’ in de bek. Trots ook dat hij met wraak als energetische drang en met een valse perskaart in het ‘wereldje’ kon penetreren. Ik kan me dus niet bevrijden van het gevoel dat simpel fatsoen (niet het soort dat publiekelijk beleden wordt) niet eigen is aan de actuele kunstenaar met naam en gefingeerde faam.

Kunstwetenschapsonderzoeksfraude. De gedaante van dit woord is beangstigend: het staat haaks op mijn kinderlijk geloof in de ruiterlijke erecodes van de kunstenaar. Maar ik kan me deerlijk vergissen; ik ben tenslotte maar een koppig fotograaf, die ontevreden is over het loutere instemmen met de conclusies van de ingewijden. Ik dacht even, het wordt tijd om namen te noemen. Om met cactussen de ballonnenwinkel op te leuken. Of is dit geen daad van naastenliefde tussen missionarissen?

decontextualisering