Merkonwaardige beelden

by luc dewaele

Geen galeriebeelden vandaag. Mijn foto’s komen alweer niet los van hun conventionele context, door mevrouw Sontag als “naïef” en “narratief” omschreven, en betreffen iets, een onderwerp. Voor museum- en galerie- en hogeschoolpraktijk handelt het fotobeeld enkel over zichzelf, over zijn praxis en zijn grenzen. Pijnlijk verbijten voor wie dit leest en uur na uur een bloemlezing aan zijn wereld ontlokt. Onbehaaglijk vanzelfsprekend voor wie echt met een camera in de hand en met een speurend oog vol verwondering, wat rondkijkt. Minor White, Amerikaans botanicus en fotograaf,  noemde die “verwondering” gewoon geestelijke leegte, of ontvankelijkheid, maar zonder negatieve bijklank.

“The state of mind of a photographer while creating is a blank…For those who would equate “blank” with a kind of static emptiness, I must explain that this is a special kind of blank. It is a very active state of mind really, a very receptive state of mind, ready at an instant to grasp an image, yet with no image pre-formed in it at any time. We should note that the lack of a pre-formed pattern or preconceived idea of how anything ought to look is essential to this blank condition. Such a state of mind is not unlike a sheet of film itself – seemingly inert, yet so sensitive that a fraction of a second’s exposure conceives a life in it. (Not just life, but “a” life).”

Vermoedelijk heeft mijn academisch alter ego dit citaat al eerder aangehaald – wij delen dan wel dezelfde “blanke” geest, maar mijn part verliest zich af en toe in barokke gedachten. En misloopt dan de herinnering aan die diepe gedachten. Waarvoor een welgevormd sorry.

De geest van een creërende fotograaf is blank, onbeschreven, onbevooroordeeld. Ik kan me hierin vinden, maar de praktische bezwaren vinden mij natuurlijk ook. Stel : ik flaneer, uiteraard zonder enig idee omtrent de flâneur par excellence, Baudelaire. Als fotograaf betekent dit dat je wat kuiert, de vogeltjes groet, een mens van goeie wil aanspreekt, van de lentezon geniet en losjes wat beeldjes “trekt”. Klaar is Minor. Klaar voor een stukje feedback in mineur van een aantal bewuste beeldenmakers. Er zijn nog fotografen die de blanke staat van de geest wantrouwen en ik vrees dat ik er één van ben. Of soms weer niet. Ik twijfel dus.

Stel ten tweede : je bent fotograaf en je hebt gebroed. Op dat niet-formalistische concept, dat je met citaten en filosofische bewoordingen onderbouwd hebt, een semester lang. Je kwam niet tot het maken van beelden, alvorens je denkbeeld op scherp stond, zonder onlogische gedachten of hiaten. En dan ga je op zoek in de realiteit, die o wee wonderlijk tegenvalt. Je vindt er je ideeën niet in weerspiegeld, niet in verborgen, hoe hard je ook probeert je concept aan de werkelijkheid te ontfutselen. Je vindt het niet en je fotografeert het niet. Verloren moeite : de beelden zijn niet voorhanden.

Dan maar Minor White’s strategie geproefd : gedachten op wit of gewist en bij mooi weer de straat op, de stedelijke branding in, de schuinte van het leven tegemoet. Je vindt een extensieve hoeveelheid beelden, net voorbij je deur. Probleem : zij zijn divers, spreken jou en elkaar tegen, houden geen rekening met de quotering “banaal” en “genoeg”. Je spoelt mee in een stroom van dagboekbeelden, leuk maar ondiepgaand.

De geest van de fotograaf (hij, die een camera hanteert) is bovenmatig aan onrust onderhevig. Zalig voor wie over fotografie schrijft, prikkelend voor wie het vak beoefent en bij anderen bekijkt : hij merkt dat hij niet eenzaam worstelt.

Dat spiritueel strijdtoneel vond ik vandaag in Recyclart, waar het werk van John Ryan Brubaker, Jennifer Jansons en Arne Schmitt te bekijken hing. Ik hoorde eigenlijk verwonderd te zijn, maar dat was ik niet. Het strijdlinie was immers proper geordend : werk van conceptuele aard, van formalistische inslag en van pragmatisch allooi. Zo wat de staalkaart van strategieën en manoeuvers waarmee ik mezelf vertoon.

Vandaag sta ik op het standpunt dat een fotograaf zijn beelden best verankert aan de dagelijkse realiteit. Het vluchtige en kortstondige karakter ervan, neem ik er bij. Het feit dat dit fotografie is die (hopeloos) vastkleeft aan een onderwerp en niet wankelt op punten van onvergankelijke zelfbevraging, is bijzonder onkritisch. Het weze zo, ik laat de verbeelding en de banaliteit weloverwogen aan de macht. Als een soort overlevingsreflex, voor het geval de zin om te fotograferen opdroogt of om mij te behoeden voor de bijzonderheid van het louter schrijven omtrent fotografie.

Ik hou het voorlopig op het maken van beelden die ik werkelijk zie, maar die waarschijnlijk toch een beetje gelogen zijn, niet-werkelijk zijn. Mag ik?