Real diary (3068)
by lucas dewaele
Thinking in Dutch.

DE NORM.
Als fotograaf – de mens M/V/X die zijn omgeving omschrijft doorheen een stuk optica, bedradigde elektronica en een portie verwonderlijke naïviteit, als begenadigde beeldenmaker dus, grijp ik niet graag terug naar papier en inkt, toetsenbord en het klavierridderschap. Beelden zijn voorwaar krachtiger dan het lettertekens. Ook al laten geschreven taalvormen tal van gelaagdheden toe, voor wie zich enige moeite getroost, als schrijvende of als lezende, als kijker of als criticus.
Geloof mij vrij: het woord ‘getroost’ vloeide zo uit mijn toetsen. Ik moest er niet over nadenken.
Met welke heilige arm om je heen dien je troost te vinden? De vraag stellen lijkt een poëtische manier om een ongewenst ledemaatje om te wringen. Zo’n armpje dat weegt op je schouderblad, eentje waarin je je tanden kan zetten, zonder vervolgd te worden. Laat mij dus heel concreet zijn: welke norm moet een mens hanteren om beelden te blijven maken, te kiezen, te vervormen? Of om eventueel de camera gewoon terzijde te laten vallen en zich te verblijden met louter ‘kijken’ zonder meer? Welke beelden, welke beeldtaal brengt troost, bij het maken, bij het bekijken? Bij het omarmen – alle ledematen of organen zijn inzetbaar.
Na jaren broeden op dit dino-ei moet ik zeggen: ik weet het niet. Er zijn geen finale ijkpunten in het hanteren van de beeldtaal. Niet als maker, niet als kijker. Ik weet wél wat of wie ik ten gronde wantrouw in dit verband. De schrijvende kenners in kwaliteitskranten, de grote namen die iedereen dient te kennen, de one-trick-pony’s, en ja, ook een snaakse Gentenaar ben ik beginnen te wantrouwen. Oud en vertrouwd als fotojournalist, maar daarom niet vrijgesteld van een kritische doorlichting. Al moet ik voorzichtig omgaan met het doorlichten van oudere en dus brozere botten. Samen met potten breken die nogal snel. Veel kwalijker nog zijn de geniepige experten die in academische torentjes het plebs van ‘smaak’ voorzien. Men citeert in de betere pers hun bevindingen en – als kruipend gif – worden deze als gemeengoed verkondigd. Toch voor wie goedgelovig is en vertrouwt op de kennis van kenners. Die kunstenaars maken. Die kenners maken. Die ingangen verbreden en toegangen versperren. Vlaamse kunst, een microkosmos.
De norm dus. Men blijft ernaar vragen. Wat is een goed beeld, wat is een goede documentaire reeks? Bijvoorbeeld, geen schoolvoorbeeld weliswaar, de beeldenstorm in ‘Brikkerij en meer’, mijn éénzielsprojectje uit Veurne. Zijn deze beelden nu ‘goed’, ‘schoon’, ‘klaar’ (in de West-Vlaamse zin van het woord: scherp, niet onderbelicht). Adjectieven zat om beelden te beschrijven, maar het aantal katachtigen dat er nog geloof aan hecht zakt zienderogen.
De norm is het beeld zelf. Of bij onvoldaanheid omtrent dit antwoord: de associaties, van het levendige soort, die het oproept. Beelden die beelden oproepen dus. Die werken, op het gemoed en op de zenuwbanen, traankanalen, stamperspezen. Beelden uit de peeskamers van Amsterdam.
Intussen lees en kijk ik in De Standaard en ik weet wat de opgelepelde norm dreigt te worden. Gelukkig is er met de jaren een diepe alertheid gegroeid. Men ziet namen met namen verbonden worden, over familiebanden en over (verborgen) bondgenootschappen heen. Expo’s die je moet gezien hebben, kwaliteit die je moet gesmaakt hebben, namen die je foutloos moet kunnen spellen. Wantrouw dit, net als voorgespiegelde loterijwinst.
Ik prijs mezelf gelukkig gewonnen dat mijn monkellachje nu pas ten volle tot uitdrukking kan komen. Anders was zelfs mijn schaduw elke toegankelijkheid ontzegd, in de wondere wereld van beeldenmakers.
…..
Dixit/dreigt een wat bejaarde fotograaf – maar dan in zijn woorden. Die doven uit. Nu die fotograaf-verteller nog.
💙
Volgens De Vandale, een fotograaf = iemand die (beroepshalve) foto’s maakt.
Met de aankomende updates voor Adobe Photoshop lijkt de mens zelfs overbodig om een foto te maken.
Het beeld wordt/is een autonome entiteit, waarbij de maker zelfs irrelevant wordt. We worden allen anonieme ‘meesters’.
Omtrent dit issue hadden wij in klas enkele bedenkingen. Stel dat niet Photoshop, maar een ander stukje software de AI-gegenereerde beelden zou produceren: zou die evolutie dan verteerbaarder zijn – vooral voor old school fotografen…? Geen idee.
-Vergeet niet dat taal via het pictografisch schrift een verdere evolutie is van het beeld. Wantrouw de schrijvende kenners niet, maar relativeer ze vooral. En over de norm van een beeld: Jean Gabin zingt: ” Je sais qu’on ne sait jamais, mais ça j’le sais”. Een parafrase op Sokrates en herhaling van mijnentwege.
Het relativeren van schrijvende kenners/kennende schrijvers: dat begon reeds toen ik verplicht werd om deel uit te maken van het publiek bij een doctoraatsverdediging omtrent Dirk Braeckman, in Museum M, in Leuven. Het was 2012 en zonder mijn gedwongen medestudenten was er geen publiek. De gedoodverfde PHD’ster voldeed volborstig aan het profiel van experten in de kunsten. Volop schijn, keeping up appearances. Overigens niets meer van gehoord; anonimiteit vervolledigt de ‘expertise’. Relativering, het doet wat met een mens 🙂
‘La vie, l’amour, l’argent, les amis et les roses
On ne sait jamais le bruit ni la couleur des choses’. Waarom heb ik dit niet eerder geschreven – ik zou er relatief beroemd mee geworden zijn….